<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:3590</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-04T14:37:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-093586-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3590">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3590</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-25T12:27:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:3590 Rechtbank Amsterdam , 13-06-2024 / 13-093586-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3590:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Polen, executie-EAB, overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3590:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">  RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-093586-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 13 juni 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 19 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_94b84eaf-a848-42a1-948c-e9a0fdd77f58" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 9 februari 2024 door een rechter van <emphasis role="italic">the Regional Court in Radom</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres],</para>
      <para>gedetineerd in Detentiecentrum [plaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 16 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 mei 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_c5e3c1c2-05e3-49d9-9b49-1bdff110ffd3" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst tot 30 mei 2024, om de uitvaardigende justitiële autoriteiten in de gelegenheid te stellen de eerder opgestuurde aanvullende informatie met de betrekking tot de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW te completeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 30 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 30 mei 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen, en bijgestaan door bovengenoemd raadsman en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">cumulative judgment of the Regional Court in Radom</emphasis> van 3 maart 2020, met kenmerk II K 137/19 (hierna: het verzamelvonnis).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de volgende beslissingen in de volgende procedures aan het verzamelvonnis ten grondslag liggen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procedure 1:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court in Radom</emphasis> van 23 februari 2015, met kenmerk II K 127/14 (hierna: vonnis 1),</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een arrest van <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Lublin</emphasis> van 3 juni 2015, met kenmerk II Aka 107/15 (hierna: arrest 1), waarbij de opgeëiste persoon een voorwaardelijke straf is opgelegd),</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de op 17 april 2019 genomen beslissing tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf (hierna: de beslissing tot tenuitvoerlegging), welke beslissing is genomen - zo blijkt uit door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 8 april 2024 - omdat de opgeëiste persoon zou zijn veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit,</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procedure 2:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Szydłowiec</emphasis> van 10 mei 2018, met kenmerk II K 52/17 (hierna: vonnis 2),</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een arrest van <emphasis role="italic">the Regional Court in Radom</emphasis> van 16 oktober 2018, met kenmerk V Ka 723/18 (hierna: arrest 2).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_b70a139d-56ae-444f-9d46-af05239ef1ee" /></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging stelt zich op het primaire standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden, omdat niet duidelijk is of is voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW voor het <emphasis role="italic">triggerende</emphasis> feit dat in procedure 1 tot de beslissing tot tenuitvoerlegging van 17 april 2019 heeft geleid. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Na veelvuldig e-mailverkeer hebben de Poolse autoriteiten aangegeven dat de veroordeling voor het <emphasis role="italic">triggerende</emphasis> feit een procedure met zaaknummer II K 57/17 zou betreffen in plaats van een eerdergenoemd nummer II K 127/16. De suggestie zou kunnen worden gewekt dat hier op vonnis 2 wordt gedoeld, maar het kenmerk van die procedure is II K 5<emphasis role="bold">2</emphasis>/17 (en niet II K 5<emphasis role="bold">7</emphasis>/17). De kenmerken lijken weliswaar op elkaar, maar komen niet overeen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Primair dient het gebrek aan volledige informatie te leiden tot weigering van de overlevering voor het verzamelvonnis. Een gedeeltelijke weigering, te weten uitsluitend voor het deel dat procedure 1 betreft, kan niet worden volstaan, aangezien de mogelijkheid bestaat dat de Poolse autoriteiten na een weigering voor één van de onderliggende vonnissen alsnog het gehele verzamelvonnis ten uitvoer zullen leggen. Subsidiair dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om nogmaals navraag te doen bij de Poolse autoriteiten over de <emphasis role="italic">triggerende</emphasis> veroordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid en procedure 2 is in relatie tot artikel 12 OLW geen verweer gevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bij de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, sprake is van de een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW, nu de opgeëiste persoon in persoon voor die procedure is gedagvaard.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft onder de aandacht gebracht dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard dat de voorwaardelijke straf is omgezet vanwege zijn veroordeling in procedure 2 en dat de gelijkenis tussen het kenmerk van vonnis 2 en het in de aanvullende informatie gegeven kenmerk zou kunnen berusten op een verschrijving. Hoewel er, gelet hierop, volgens de officier van justitie enige aanleiding bestaat om aan te nemen dat het <emphasis role="italic">triggerende</emphasis> feit het feit betreft waarvoor de opgeëiste persoon in procedure 2 is veroordeeld, komt zij tot de conclusie dat de Poolse autoriteiten de gestelde vraag ten aanzien van de <emphasis role="italic">triggerende </emphasis>veroordeling onvoldoende duidelijk hebben beantwoord en dat daarom de overlevering gedeeltelijk geweigerd dient te worden en wel voor het deel van de onderliggende procedure 1. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzamelvonnis:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 12 februari 2020 in persoon is gedagvaard,  daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en tijd van het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid en is geïnformeerd dat bij niet verschijnen een beslissing bij verstek zou worden uitgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank concludeert dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW daarmee aan de orde is en dat de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich in relatie tot het verzamelvonnis niet voordoet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van procedure 1:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_c69a0356-1c41-4f10-a6e4-6351d950d819" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 8 april 2024 van de Poolse autoriteiten blijkt dat in procedure 1 de zaak in hoger beroep bij beslissing van <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Lublin</emphasis> van 3 juni 2015 (met kenmerk II Aka 107/15) ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal dan ook die beslissing in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt dat dat het EAB mede strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 15 april 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om de verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van 17 april 2019 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing tot tenuitvoerlegging van 17 april 2019 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_580cdd9e-763a-4c9f-ab6f-125f98bed3b6" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_c98e0414-eae5-4088-b343-65fe54472e69" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit (een <emphasis role="italic">triggerend </emphasis>feit) die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf wel onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit meermaals verzocht om de artikel 12 OLW informatie te verstrekken ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor het nieuwe strafbare feit. Op 23 mei 2024 hebben de Poolse autoriteiten het volgende geantwoord:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“[…] We fouded the mistake, the correct reference number is II K 57/17.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Should be:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">1. the convicts statement that he has been sentenced to a conditionally suspended custodial sentence is true,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a. by the decision dated 17.04.2019, the execution of the custodial sentence was ordered due to the fact that the convict had committed a similar crime during the probation period, for which he had been sentenced by the District Court in Szydłowiec in case ref. II K 57/17 to a custodial sentence of 1 year and 6 months.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is op basis van deze informatie van oordeel dat voldoende vast staat dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is bevolen vanwege de veroordeling in procedure 2. Niet alleen heeft de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor op 20 maart 2024 - in eigen woorden - verklaard dat naar aanleiding van procedure 2 de tenuitvoerlegging van de bij procedure 1 opgelegde voorwaardelijke straf is bevolen (“<emphasis role="italic">De voorwaardelijke marihuanazaak is onvoorwaardelijk geworden vanwege de nieuwe veroordeling in de amfetaminezaak”)</emphasis>, ook komt de instantie (<emphasis role="italic">the District Court in Szydłowiec</emphasis>) en de uiteindelijk opgelegde straf (van één jaar en zes maanden) in procedure 2 overeen met de instantie en straf die in zowel de aanvullende informatie van 8 april 2024 als in de aanvullende informatie van 23 mei 2024 worden genoemd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de informatie van 23 mei 2024 een kennelijke verschrijving bevat en dat moet worden uitgegaan dat vonnis 2, met het kenmerk II K 5<emphasis role="bold">2</emphasis>/17 (van procedure 2), de veroordeling met betrekking tot het - voor de beslissing tot tenuitvoerlegging van 17 april 2019 - <emphasis role="italic">triggerende</emphasis> feit betrof. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om op dit punt nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het navolgende zal worden beoordeeld of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is op procedure 2.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van procedure 2:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_23c725d7-3d3e-4773-8a0a-6a5b34eacf0a" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 8 april 2024 van de Poolse autoriteiten blijkt dat in procedure 2 de zaak in hoger beroep bij beslissing van <emphasis role="italic">the Regional Court in Radom</emphasis> van 16 oktober 2018 (met kenmerk V Ka 723/18) ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal dan ook die beslissing in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB mede strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 15 april 2024 blijkt echter dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om de verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 1 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 2 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_76994e97-50b5-4ed9-ab8f-c13520119b1d" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_b53bbe5e-6297-4006-9ad4-62ecc712f5fa" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Radom</emphasis>, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.J. Scheijde,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. C.M. Delstra en D.M.S. Gribling,          				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.E. Poel,		                         		    	    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_94b84eaf-a848-42a1-948c-e9a0fdd77f58" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5e3c1c2-05e3-49d9-9b49-1bdff110ffd3" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b70a139d-56ae-444f-9d46-af05239ef1ee" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c69a0356-1c41-4f10-a6e4-6351d950d819" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_580cdd9e-763a-4c9f-ab6f-125f98bed3b6" label="5">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c98e0414-eae5-4088-b343-65fe54472e69" label="6">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_23c725d7-3d3e-4773-8a0a-6a5b34eacf0a" label="7">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Kun je niet beter verwijzen naar noot 4 waarin exact hetzelfde staat?</para>
  </footnote>
  <footnote id="_76994e97-50b5-4ed9-ab8f-c13520119b1d" label="8">
    <para>Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b53bbe5e-6297-4006-9ad4-62ecc712f5fa" label="9">
    <para>Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>