<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:3136</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-11T12:39:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1308516424</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3136">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3136</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-11T11:20:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:3136 Rechtbank Amsterdam , 29-05-2024 / 1308516424</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3136:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Duits executie-EAB. Artikel 12 OLW- afzien van weigeren. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3136:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.085164.24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 29 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 22 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_ea2f2fc1-6ec9-4719-b167-fbca35d7ba28" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 maart 2024 door het <emphasis role="italic">Amtsgericht Aschaffenburg</emphasis>, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren op [geboortedag] 1996 te onbekend, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem en door een tolk in de Litouwse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_e7829a97-4828-49fa-8220-cefd962fa038" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van het Amtsgericht Aschaffenburg van 22 februari 2021, rechtsgeldig sinds 2 maart 2021 (referentienummer: 304 Ds 145 Js 2021/20). De tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is bevolen bij besluit van het Kantongerecht Lahr van 16 september 2022, dossiernummer: 3 BWL 32/21, hetwelk rechtsgeldig is sedert 11 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_072d5a2f-90e4-4c61-bbd5-4aa606be5592" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van artikel 12 OLW heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het <emphasis role="italic">triggerend </emphasis>feit, voldoende informatie is ontvangen vanuit de uitvaardigende justitiële autoriteit om af te zien van de weigeringsgrond. Het toestaan van de overlevering levert geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. De overlevering kan dus worden toegestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 22 februari 2021 is de opgeëiste persoon bij vonnis van het <emphasis role="italic">Amtsgericht Aschaffenburg </emphasis>(Duitsland) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. Op 16 september 2022 heef het <emphasis role="italic">Kantongerecht Lahr </emphasis>(Duitsland) de tenuitvoerlegging van de straf bevolen, omdat hij binnen de proeftijd was veroordeeld voor nieuwe strafbare feiten én zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing tot tenuitvoerlegging van 16 september 2022 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_53f80b62-9b3f-41cf-a8ae-adb1f89ee82c" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit (een <emphasis role="italic">triggerend</emphasis> feit) die ten grondslag ligt aan de beslissing tot herroeping van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Dat de reden van de beslissing tot herroeping mede is gelegen in het feit dat de opgeëiste persoon de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, maakt dat niet anders.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank begrijpt de op 24 april, 3 mei en 6 mei 2024 ontvangen aanvullende informatie aldus dat aan de opgeëiste persoon voor de nieuwe strafbare feiten door het <emphasis role="italic">Amtsgericht Lahr</emphasis> een <emphasis role="italic">penalty order</emphasis> is opgelegd bij beslissing van 18 juni 2021 (referentienummer 3 Cs 203 Js 7712/2). Hieraan is geen mondelinge behandeling voorgegaan, nu deze slechts plaatsvindt als tegen de <emphasis role="italic">penalty order</emphasis> een bezwaar wordt gemaakt. Omdat de opgeëiste persoon geen bezwaar heeft gemaakt, is de <emphasis role="italic">penalty order</emphasis> onherroepelijk geworden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie verstrekt op 6 mei 2024 door de uitvaardigende justitiële autoriteit, blijkt dat de <emphasis role="italic">penalty order</emphasis> van het <emphasis role="italic">Amtsgericht Lahr</emphasis> van 18 juni 2021 (ref. 3 Cs 203 Js 7712/21) naar het eerder door de opgeëiste persoon opgegeven adres is verstuurd, namelijk <emphasis role="italic">[adres 1]</emphasis>. De <emphasis role="italic">penalty order</emphasis> is vervolgens ook nog naar een nieuw adres verstuurd, omdat uit een onderzoek in het bevolkingsregister bleek dat de opgeëiste persoon was verhuisd naar <emphasis role="italic">[adres 2]</emphasis>. Volgens de aanvullende informatie heeft de opgeëiste persoon daarbij instructies ontvangen over de wijze waarop hij tegen de <emphasis role="italic">penalty order </emphasis>bezwaar kon maken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 26 april 2024 blijkt dat de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf onder meer is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich volledig aan het toezicht van de reclasseringsambtenaar had onttrokken, geen adreswijziging had doorgegeven en onbekend was waar hij verbleef. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De omstandigheden die naar voren komen in de aanvullende informatie tonen, minst genomen, een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon aan. Naar het oordeel van de rechtbank strekte deze onzorgvuldigheid zich uit tot het in ontvangst nemen van de penalty order met bijbehorende bezwaarinstructie. Onder de gegeven omstandigheden had hij de gevolgen van het in de vorige alinea omschreven gedrag kunnen voorzien. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <bridgehead role="bold">	Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 1 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 2 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 3 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 4 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eenvoudige mishandeling </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 5 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel en ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 6 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 7 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 266, 267, 300, 304, 350, Wetboek van Strafrecht, 8, 9, 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan het <emphasis role="italic">Amtsgericht Aschaffenburg</emphasis> (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier,  				                         		             voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.J. Bos en A. Pahladsingh,                         				                rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E Jurgens en A. Gabriëlse,	                            griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ea2f2fc1-6ec9-4719-b167-fbca35d7ba28" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7829a97-4828-49fa-8220-cefd962fa038" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_072d5a2f-90e4-4c61-bbd5-4aa606be5592" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53f80b62-9b3f-41cf-a8ae-adb1f89ee82c" label="4">
    <para>HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>