<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:3114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-12T13:55:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/749061 / KG ZA 24-295</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3114">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-02T10:26:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:3114 Rechtbank Amsterdam , 14-05-2024 / C/13/749061 / KG ZA 24-295</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3114:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Vordering voortzetting bankrelatie (in afwachting bodemprocedure) toegewezen. Gedaagde (de bank) heeft onvoldoende gemotiveerd betoogd dat zij haar onderzoek naar eiser niet kan afmaken en een reeel risico bestaat op oneigenlijk of misbruik van de bankrekening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3114:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="fce94c1d-4690-452c-b926-5f57d95e4cbe" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="bc7e05b7-373c-49e5-aa43-817947135cc8" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/13/749061 / KG ZA 24-295 IHJK/TF</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 14 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiser 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>2.	de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 2] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>eisers bij dagvaarding van 17 april 2024,</para>
      <para>advocaat mr. A. Laghmouchi te Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
      <para>
        <?linebreak?>de coöperatie</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.</emphasis>,</para>
      <para>statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Utrecht,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. L. Hageman te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] worden genoemd. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als Rabobank.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Ter zitting van 29 april 2024 hebben eisers de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Rabobank heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Vonnis is bepaald op vandaag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter zitting waren aanwezig: </para>
        <para>aan de kant van eisers: [eiser 1] met mr. Laghmouchi,</para>
        <para>aan de kant van Rabobank: [naam 1] (medewerker van Rabobank KYC Operations Retail NL) met mr. Hageman,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser 1] bankiert al jaren privé bij Rabobank, met zijn Rabo DirektRekening met nummer [rekeningnummer 1] . [eiser 1] is directeur-grootaandeelhouder van [eiser 2] . Deze onderneming is op 31 augustus 2015 opgericht en heeft een Rekening-courant rekening met nummer [rekeningnummer 2] en een bedrijfsspaarrekening bij Rabobank. Op deze rekening zijn (ondermeer) de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) en Voorwaarden Rekening-courant 2023 van toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser 2] handelt onder de naam <emphasis role="italic">QX Systems</emphasis> en houdt zich bezig met de koop, revisie en verkoop van telecommunicatiemiddelen. Gebruikte elektronica (waaronder laptops) wordt ingekocht en gereviseerd en vervolgens weer verkocht in Nederland en Europa. Vóór de Brexit verkocht [eiser 2] haar producten ook in het Verenigd Koninkrijk, maar daar is zij mee gestopt. Klanten van [eiser 2] kunnen hun elektronica fysiek bij de winkel in Nijmegen afleveren of per post versturen. Als klanten hun elektronica fysiek afleveren, kunnen zij de verkoopprijs contant krijgen. [eiser 2] heeft een aantal vaste personeelsleden.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In de periode van 22 december 2022 tot en met 12 oktober 2023 heeft Rabobank schriftelijk en telefonisch vragen gesteld aan eisers over de transacties van [eiser 2] . Hieronder een kleine selectie van brieven en contactmomenten tussen partijen.</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Bij e-mail van 22 december 2022 heeft Rabobank informatie opgevraagd bij [eiser 2] (inkoopfacturen van klanten, verkoopoverzichten 2021/2022 van de ontvangen gelden van Mollie en inkoopoverzichten van Backmarket).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Bij e-mail van 22 januari 2023 heeft [eiser 1] aan Rabobank meegedeeld dat de hoeveelheid documenten, die hij kan overleggen te veel is om per e-mail te versturen. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Na correspondentie over en weer heeft [eiser 1] op 13 en/of 17 maart 2023 stukken bij Rabobank te Nijmegen ingeleverd. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Bij brief van 4 april 2023 heeft Rabobank [eiser 2] (wederom) verzocht vragen te beantwoorden en om de jaarcijfers te verstrekken. Op 8 mei 2023 heeft [eiser 1] telefonisch doorgegeven dat die eind mei 2023 zouden worden verstrekt. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Bij brief van 24 mei 2023 heeft Rabobank aan [eiser 1] een terugkoppeling over het klantonderzoek gegeven. In deze brief staat (onder andere) dat de door [eiser 1] verstrekte gegevens onvoldoende zijn om het klantonderzoek af te ronden en dat de jaarcijfers niet zijn ontvangen. Rabobank heeft in deze brief aan [eiser 2] meegedeeld dat haar dossier zou worden overgedragen aan de afdeling FEC offboarding. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij brief van 7 november 2023 heeft Rabobank de bankrelatie met [eiser 2] per 8 januari 2024 opgezegd en aangekondigd dat haar gegevens per 31 oktober 2023 zijn opgenomen in het Intern Verwijzingsregister van Rabobank (hierna: IVR). De brief van Rabobank luidt voor zover van belang als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…)<emphasis role="bold">Waarom beëindigen wij de relatie met u?</emphasis></para>
        <para>Wij nemen afscheid van [eiser 2] B.V. omdat:</para>
        <para>In de periode 22 december 2022 tot en met 12 oktober 2023 hebben wij u meermaals verzocht om onderbouwing aan te leveren met betrekking tot de contante opnames en betalingen aan en van de heer [naam 2] . Naast de verklaringen heeft u ook onderbouwende documentatie aangeleverd.<?linebreak?></para>
        <para>Wij hebben u op 24 mei 2023 geïnformeerd over de uitkomst van het klantonderzoek. Er is aangegeven dat wij nog steeds niet de gevraagde jaarcijfers hebben mogen ontvangen. Daarnaast ontbreken de tegenrekeningnummers behorende bij de klantnaam op de ontvangen documentatie van Mollie. Uit de facturen van Back Market is op te maken dat de artikelen underpriced worden aangeboden/ingekocht ten opzichte van de marktwaarde van de producten. Ondanks onze verzoeken heeft u niet voldaan aan uw informatieverplichting.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op basis van de ontvangen documentatie zijn de contante opnames en betalingen aan en van de heer [naam 2] onvoldoende onderbouwd. Wij hebben geen documentatie ontvangen welke één op één gerelateerd kunnen worden aan de betalingen aan de heer [naam 2] . Hierdoor kunnen wij uw rekeninggebruik onvoldoende beoordelen en de nagevraagde transacties op uw rekening niet plausibel verklaren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het noodzakelijke klantonderzoek kan niet worden afgerond waardoor Rabobank niet kan voldoen aan artikel 3 vanuit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Dit is voor ons niet acceptabel. Daarom zijn wij genoodzaakt om de klantrelatie met Big Uncie Deals B.V. te beëindigen op basis van artikel 5 Wwft.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wij mogen u vragen naar uw bankactiviteiten en de herkomst van de gelden op uw rekening. In onze Algemene Bankvoorwaarden en in de Voorwaarden Rekening-courant staat dat u zorgvuldig moet zijn tegenover de bank en ons bepaalde informatie en documentatie moet verstrekken als wij die nodig hebben en daarom vragen. Voor de volledigheid leest u in de bijlage ‘Brochure beëindiging klantrelatie’ wat dat inhoudt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Opzegging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het bovenstaande zien wij ons genoodzaakt gebruik te maken van onze</para>
        <para>opzeggingsbevoegdheid zoals omschreven in artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden. Dat betekent dat wij alle overeenkomsten die wij met u hebben opzeggen. (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij brief van 7 november 2023 heeft Rabobank ook de bankrelatie met [eiser 1] per 8 januari 2024 opgezegd en aangekondigd dat zijn gegevens per 31 oktober 2023 zijn opgenomen in het IVR. In de brief staat – samengevat – dat de bankrelatie is beëindigd op grond van artikel 35 ABV, omdat [eiser 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder en enige aandeelhouder van [eiser 2] niet heeft voldaan aan de informatieverzoeken van Rabobank. Rabobank heeft verder geschreven dat zij haar cliëntonderzoek naar [eiser 1] niet kon afronden ex artikel 3 Wwft en verplicht was ook de bankrelatie met hem op grond van artikel 5 Wwft te beëindigen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>In een brief van 15 december 2023 heeft [eiser 2] (bij monde van haar advocaat) bezwaar gemaakt tegen de opzegging en verzocht het besluit in te trekken. De inhoud van deze brief komt grotendeels overeen met de klachtbrief van 3 januari 2024, die hierna onder 2.8 deels is samengevat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij e-mail van 19 december 2023 heeft Rabobank voor zover van belang het volgende aan [eiser 2] meegedeeld:</para>
        <para>“(…) Uw cliënte heeft ons meermaals toegezegd dat de opgevraagde jaarcijfers over de periode 2018 tot en met 2021 naar ons zouden worden verstuurd zodra deze beschikbaar zijn. In de mail van 11 oktober 2023 heeft uw cliënt wederom toegezegd dat deze in november 2023 gereed zouden zijn en deze toegestuurd zouden worden. Tot op heden hebben wij deze niet ontvangen.</para>
        <para>Op 18 november 2022 is aan uw cliënte het volgende gecommuniceerd: “<emphasis role="italic">dat u geen transactie meer mag uitvoeren naar rekeningnummers (…) t.n.v. [naam 2] . Wij behouden ons het recht voor om uw bankrekening(en) per ommegaande te blokkeren indien u alsnog transacties uitvoert t.n.v. [naam 2] .</emphasis>” Het is derhalve onjuist dat uw cliënt niet eerder is gewaarschuwd eerder dan de brief van 10 juli 2023.</para>
        <para>Uw cliënt heeft tot uiterlijk 5 januari 2023 de tijd om de gevraagde jaarcijfers alsnog aan te leveren. Op dit moment blijven wij ons standpunt om de klantrelatie met uw cliënt per 8 januari 2024 te beëindigen.” </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>In een brief van 3 januari 2024 heeft [eiser 2] bij Rabobank een klacht ingediend en (onder andere) verzocht het besluit tot opzegging van de bankrelatie in te trekken. In de brief staat – samengevat – dat:</para>
      <para>- [eiser 2] compleet overvallen is door de opzegging van de bankrelatie, omdat zij gehoor heeft gegeven aan de aan de informatieverzoeken;</para>
      <para>- [eiser 2] verkoopoverzichten heeft verstrekt, al vóór 18 november 2022 geen transacties met [naam 2] meer heeft uitgevoerd en Rabobank verder niet heeft gevraagd naar informatie over de transacties met [naam 2] in het verleden;</para>
      <para>- [eiser 2] niet inziet wat de toegevoegde waarde is van de jaarrekeningen naast de informatie die Rabobank al heeft verkregen en het onredelijk is dat zij die op korte termijn moet verstrekken;</para>
      <para>- het besluit om de bankrelatie van [eiser 2] te beëindigen onevenredig is gelet op haar medewerking aan onduidelijke en tegenstrijdige informatieverzoeken en onbegrijpelijk nu het besluit is gebaseerd op een niet correcte schets van de feiten en omstandigheden;</para>
      <para>- het belang van [eiser 2] zwaarder weegt dan het belang van Rabobank, nu haar voortbestaan afhangt van het gebruik van de diensten van Rabobank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Bij e-mail van 9 januari 2024 heeft [eiser 2] aan Rabobank  jaarrekeningen over 2019, 2020 en 2021 overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>In een e-mail van 10 januari 2024 heeft [eiser 2] aan Rabobank benadrukt dat zij veel belang heeft bij voortzetting van de bankrelatie (onder andere) omdat zij specifiek voor haar onderneming op Rabobank gerichte speciaal ontwikkelde software heeft geïntegreerd met haar inkoopsysteem.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Bij brief van 13 februari 2024 heeft Rabobank aan [eiser 2] meegedeeld dat zij de beëindiging van de bankrelatie en de registratie in het IVR gerechtvaardigd en proportioneel acht. In de brief staat voor zover van belang het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…) Door de bank is vastgesteld dat het betalingsverkeer op de rekening-courant ( [rekeningnummer 2] ) van uw cliënt niet transparant is. De bank heeft uw cliënt dit laten weten. In de periode van 22 november 2022 tot en met 5 oktober 2023 heeft de bank uw cliënt talloze keren verzocht om een adequate en onderbouwde toelichting te geven op de transacties op de rekening-courant. In het kader van haar onderzoek heeft de bank uw cliënt ook verzocht om officiële en volledige jaarcijfers van de B.V. aan te leveren. Uw cliënt heeft de gevraagde gegevens niet dan wel niet volledig aangeleverd, waardoor de bank haar klantonderzoek niet kon afronden. </para>
        <para>(…)</para>
        <para>In een periode van meer dan een halfjaar is uw cliënt meermaals in de gelegenheid gesteld om te reageren op de vragen van de bank en om volledige informatie aan te leveren. Uw cliënt leverde wel informatie aan maar telkens met vertraging en ook niet volledig. Aan het verzoek van de bank om volledige transparantie te geven, heeft uw cliënt nog steeds niet voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 24 mei 2023 is uw cliënt schriftelijk geïnformeerd dat zijn dossier is overgedragen aan afdeling FEC Offboarding. Deze afdeling heeft - na haar onderzoek - uw cliënt nogmaals de gelegenheid geboden om de jaarcijfers (de balans, de Winst- en Verliesrekening en de toelichting daarop) en inkoopfacturen aan te leveren. De, tot nu toe, ontvangen documenten zijn onvoldoende verifieerbaar om de betrouwbaarheid en plausibiliteit van het betalingsverkeer op de rekening te kunnen vaststellen. Uw cliënt werkt nog steeds niet volledig mee aan het verzoek van de bank. Vanwege het gebrek aan transparantie in het betalingsverkeer van uw cliënt meldde de bank dat zij zich genoodzaakt ziet tot de beëindiging van de bancaire relatie en de opname in het IVR. Uw cliënt is hierover per</para>
        <para>brief geïnformeerd op 7 november jl.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Mijn beoordeling</emphasis>
          <?linebreak?>(…)</para>
        <para>De bank is wettelijk verplicht om klantonderzoeken uit te voeren. De bank heeft uw cliënt meerdere keren in de gelegenheid gesteld om de juiste documentatie aan te leveren. Omdat uw cliënt dit naliet dan wel onvoldoende medewerking verleende, restte de bank niets anders dan de bancaire relatie met uw cliënt op te zeggen.</para>
        <para>(…) </para>
        <para>Zoals nu blijkt, ook uit uw schrijven, beschikt uw cliënt nog steeds niet over </para>
        <para>jaarcijfers met een toelichting op de Balans en AWV (2018 t/m 2021). Deze stukken zijn ook nog niet beoordeeld door een accountant. Dit strookt niet met de eerdere toezegging van uw cliënt de jaarcijfers van voorgaande jaren te zullen aanleveren. In oktober jl. heeft uw cliënt wederom om uitstel gevraagd voor het aanleveren van deze door de bank gevraagde jaarcijfers en bijbehorende toelichting.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>Er is sprake van een omvangrijk transactieverkeer, waardoor zowel de herkomst als de bestemming van de gelden onvoldoende herleidbaar zijn. Dit geldt ook voor de contante transacties waarover uw cliënt verklaart goederen van particulieren te kopen en hen op verzoek contant te betalen. De bank heeft vanaf november 2022 informatie en documentatie bij uw cliënt opgevraagd in het kader van het klantonderzoek. Herhaaldelijk heeft zij dezelfde informatie moeten opvragen en ondanks dat er mondjesmaat iets werd aangeleverd, bleef de gevraagde en relevante informatie uit. Uw cliënt gaf meermaals aan deze toe te sturen en/of er nog mee bezig te zijn. De jaarcijfers met toelichting vanaf 2018 heeft uw cliënt nog steeds niet kunnen aanleveren en de jaarcijfers met toelichting lijken ook nog niet gedeponeerd te zijn bij de Kamer van Koophandel. De door uw cliënt</para>
        <para>aangeleverde cijfers zijn geen officiële jaarcijfers en missen de gevraagde onderbouwing. In uw schrijven geeft u aan dat het niet reëel is om deze gegevens op korte termijn aan te laten leveren, omdat deze ook nog door een accountant beoordeeld zouden moeten worden.</para>
        <para>De bank vraagt al langere tijd om deze officiële jaarcijfers waarvan uw cliënt meerdere keren aangegeven heeft om deze aan te leveren. Zoals u bekend is, gelden er ook wettelijke vereisten ten aanzien van de informatieverplichting voor een BV.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>Met andere woorden: er is sprake van niet transparant betalingsverkeer.</para>
        <para>Ook kan de bank de herkomst van de gelden niet vaststellen. De bank kan derhalve het klantbeeld niet goed vaststellen. Wegens het uitblijven van de volledige medewerking van uw cliënt kan de bank haar poortwachtersrol onvoldoende vervullen. Dit levert voor de bank een onacceptabel integriteitsrisico op.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>De bank vindt het aangaan of voortzetten van een bancaire relatie, zowel zakelijk als privé, met uw cliënt een onacceptabel risico. Dit heeft de bank doen besluiten om, conform artikel 35 van de Algemene bankvoorwaarden, de bancaire relatie met uw cliënt op te zeggen. Dit is een besluit dat de bank mag nemen.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>In afwachting van de behandeling van uw klacht is deze opzegtermijn nu verlengd tot 13 maart 2024. Uw cliënt was op 7 november jl. al van het besluit van de bank op de hoogte gesteld en had actie kunnen ondernemen om zijn rekeningen elders onder te brengen. Uw cliënt heeft door het uitstel nu tot 13 maart 2024 ruim de tijd gekregen om zijn bankzaken onder te brengen bij een andere financiële instelling.</para>
        <para>(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Bij e-mail van 5 maart 2024 hebben eisers aan Rabobank meegedeeld een kort geding te starten. Rabobank heeft toegezegd de beëindiging van de bankrelatie op te schorten in afwachting van dit vonnis. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser 2] heeft een Belgische bankrekening met nummer </para>
        <para>
          [rekeningnummer 3] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eisers vorderen – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Rabobank op straffe van een dwangsom: </para>
        <para>I	te gebieden de bankrelatie met eisers, ieder afzonderlijk dan wel tezamen, op gebruikelijke wijze voort te zetten, dan wel te herstellen en te verbieden de bankrekening van eisers, ieder afzonderlijk dan wel tezamen, te blokkeren, dan wel te gebieden de bankrekening van eisers, ieder afzonderlijk dan wel tezamen, te deblokkeren;</para>
        <para>II	te gebieden de dienstverlening aan eisers, ieder afzonderlijk dan wel tezamen, op dezelfde voorwaarden als vóór de (aangezegde) beëindiging van de bankrelatie, althans op de gebruikelijke wijze, voor onbepaalde tijd voort te zetten. </para>
        <para>Eisers vorderen daarnaast Rabobank te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Eisers leggen het volgende aan hun vordering ten grondslag.</para>
        <para>Zij zijn verbaasd dat Rabobank de bankrelatie wil beëindigen. [eiser 1] heeft gehoor gegeven aan alle informatieverzoeken en is steeds in contact gebleven met Rabobank. Het is opmerkelijk dat Rabobank stelt dat zij de transacties van [eiser 2] niet transparant vindt. De activiteiten van Big Uncle Deal zijn duidelijk (inkoop, revisie en verkoop van elektronica). Er wordt alleen contant geld opgenomen, maar niet gestort. Alleen Bol.com, Mollie, Stripe en Hyperwaller (grote betaalproviders die iDeal betalingen verwerken) maken geld over op de Rabobank-rekening. Alle inkoopfacturen kunnen worden ingezien. Verder zijn de transacties met [naam 2] al jaren geleden gestopt, nadat de Rabobank daarom had gevraagd. Waarom de Rabobank hier steeds op terugkomt en waarom er steeds wordt gevraagd naar de transacties met [naam 2] is onduidelijk. </para>
        <para>De beëindiging van de privérekening van [eiser 1] kwam  als een verrassing. [eiser 1] is nooit gevraagd om informatie omtrent deze rekening. Het lijkt erop dat Rabobank haar klantenonderzoek niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en afgerond. </para>
        <para>Eisers worden disproportioneel belemmerd in de deelname aan het economische verkeer door de opzegging van de bankrelaties. [eiser 2] is afhankelijk van de diensten van Rabobank. Zij heeft contant geld nodig om haar bedrijf te runnen (voor de contante inkopen). Het is bijna onmogelijk bij een andere bank een rekening aan te vragen. Vermelding op de IVR lijst maakt dat nog moeilijker. Andere banken vragen bij de aanvraag altijd waarom nieuwe klanten geen bankrelatie meer met hun vorige of andere bank hebben. Het niet juist beantwoorden van deze vragen leidt vervolgens tot nieuwe problemen. Overstappen naar een andere bank leidt bovendien tot hogere kosten.</para>
        <para>Gelet op de omstandigheden van het geval bestaat voor opzegging geen zwaarwegende grond. Er is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van  eisers. De belangen van eisers om toegang tot het bancaire systeem te houden weegt zwaarder dan het belang van Rabobank bij opzegging. Er is ook geen goede grond voor registratie van eisers op de IVR lijst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Rabobank voert – samengevat – het volgende verweer. </para>
        <para>Zij heeft de bankrelatie met [eiser 2] beëindigd, omdat Rabobank niet aan haar verplichtingen in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) kon voldoen. Het noodzakelijke klantonderzoek kon niet worden afgerond, waardoor Rabobank niet kan voldoen aan artikel 3 Wwft en zij was daardoor genoodzaakt om de klantrelatie op basis van artikel 5 Wwft te beëindigen. Daarnaast heeft Rabobank eveneens gebruik gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid op grond van artikel 35 ABV. </para>
        <para>Het belang van Rabobank bij opzegging van de bankrelatie is zwaarwegender dan het belang van eisers bij voortzetting van de bankrelatie gelet op het nalatig handelen van [eiser 2] (en [eiser 1] als bestuurder en grootaandeelhouder) om adequaat inzicht te geven in haar transactieverkeer en bedrijfsvoering. Rabobank heeft eisers ruimschoots de tijd gegeven om aan haar informatieverplichtingen te voldoen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de beoordeling of Rabobank bevoegd was de bankrelatie met eisers op te zeggen, geldt het volgende uitgangspunt. De bank heeft op grond van artikel 35 ABV de contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. Die opzegging moet echter worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht (die ook is vastgelegd in artikel 2 ABV) op grond waarvan de bank bij haar dienstverlening zorgvuldigheid in acht moet nemen, waarin ook het belang van betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Banken hebben voorts op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In deze zaak is de bankrelatie met eisers opgezegd zowel op grond van dit artikel 5 lid 3 Wwft als artikel 35 ABV.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De vraag ligt voor of vooruitlopend op de bodemprocedure, waarin definitief wordt beslist of Rabobank in deze zaak de (contractuele) bevoegdheid had om de bankrelatie met eisers te beëindigen, na afweging van alle belangen een voorlopige ordemaatregel tot voortzetting van de bankrelatie moet worden opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is op basis van de gepresenteerde feiten en omstandigheden van oordeel dat daarvoor voldoende reden is.  Hierna wordt dat als volgt toegelicht, waarbij eerst de opzeggingsgrond van artikel 5 lid 3 Wwft wordt beoordeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beëindiging van de bankrelatie op grond van artikel 5 lid 3 Wwft</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Rabobank stelt dat het betalingsverkeer van [eiser 2] zich kenmerkt door afwijkende transacties. Meer specifiek is er sprake van een enorme hoeveelheid contante transacties en daarnaast een grote hoeveelheid transacties met de heer [naam 2] waarvoor geen verklaring is. Ook valt volgens Rabobank de grootte van de transacties op. In vijf jaar (2019-2023) werden er 1271 transacties uitgevoerd voor een totaalbedrag van ruim € 9 miljoen, gemiddeld voor een zeer hoog bedrag van <?linebreak?>€ 7.409,00 per transactie. Al bij e-mail van 22 december 2022 heeft Rabobank jaarcijfers opgevraagd, en ook inkoopfacturen van klanten, verkoopoverzichten 2021/2022 van de ontvangen gelden van Mollie en inkoopoverzichten van Backmarket. Hoewel de transacties met de heer [naam 2] op verzoek van Rabobank in 2022 zijn gestopt, blijft onduidelijk wat voor een transacties dit allemaal waren. Verder acht Rabobank de documentatie van Mollie en Backmarket onvoldoende transparant, omdat ‘de tegenrekeningnummers’ ontbreken en over de Backmarket facturen kan worden opgemerkt dat artikelen ‘underpriced’ worden aangeboden/ingekocht ten opzicht van de markwaarde van de producten. Aldus steeds Rabobank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser 1] heeft ter zitting uitvoerig omschreven hoe zijn bedrijfsvoering in elkaar zit en hoe de geldstromen lopen, met name de herkomst en bestemming van gelden. Hij heeft daartoe (onder andere) aangevoerd dat [eiser 2] een webshop heeft, die vanuit heel Europa wordt bezocht. Zij koopt gebruikte elektronica in van consumenten (bijvoorbeeld laptops en telefoons). De artikelen komen per post binnen. Soms vertrouwen consumenten de verkoper niet en dan willen ze naar een locatie komen en contant hun inkoopbedrag ontvangen. Die mogelijkheid is er. Dit verklaart de opnames van contant geld, aldus [eiser 1] . </para>
        <para>
          [eiser 2] maakt weinig reparatie/renovatiekosten, omdat zij alles zelf repareert. De items kunnen met winst weer worden doorverkocht. De gereviseerde artikelen worden doorgaans verkocht voor minder dan € 400,00 per item. Het gaat om vele transacties, waar weinig tijd tussen zit, aldus [eiser 1] . De betalingen ontvangt [eiser 2] via platforms zoals Mollie, Bol.com en Backmarket. Daarbij gaat het om cumulatieve bedragen afkomstig van meerdere individuele transacties, wat heel gebruikelijk is. Dit kunnen daarom dus grote bedragen zijn, die periodiek worden overgeboekt, aldus [eiser 1] . Deze uitleg omtrent de handel van [eiser 2] klinkt plausibel. Rabobank heeft niet duidelijk gemaakt welke vragen zij met betrekking tot de bedrijfsvoering nog heeft die niet door [eiser 2] zijn beantwoord. [eiser 1] heeft ter zitting verklaard dat de heer [naam 2] een opkoper en tussenhandelaar is, waarmee hij in het verleden zaken heeft gedaan, maar al enige jaren niet meer. Welke informatie Rabobank had willen krijgen met betrekking tot transacties uit het verleden met [naam 2] is evenmin duidelijk geworden. Dat daarover aan [eiser 2] gerichte vragen zijn gesteld is niet gebleken. Voorshands is  onvoldoende aannemelijk geworden dat er een reëel risico bestaat dat de bankrekening voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of misbruikt). Dat Rabobank niet in staat is het bedrijfsmodel van [eiser 2] te begrijpen met de informatie die haar is verstrekt kwam op de zitting onvoldoende uit de verf. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Big Uncle Deal heeft jaarrekeningen over 2019, 2020 en 2021 pas op 9 januari 2024 overgelegd. Voor Rabobank is dit niet afdoende. Zij stelt dat jaarcijfers over 2018 nog steeds ontbreken, de wel verstrekte gegevens beperkte jaarcijfers betreffen, de jaarcijfers (deels) al eerder beschikbaar lijken te zijn geweest (jaarcijfers van 2019 dateren van juli 2020, jaarcijfers van 2020 dateren van december 2021 en jaarcijfers 2021 dateren van maart 2023), de jaarrekeningen slechts één boekjaar weergeven (het voorafgaande boekjaar ontbreekt), een toelichting op de balans ontbreekt, de post “te betalen belastingen” niet weergeeft om welke belastingen het gaat en de jaarcijfers niet zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en beoordeeld door een accountant. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Waarschijnlijk volstaan de overgelegde jaarrekeningen niet. Het standpunt van Rabobank hierover lijkt gerechtvaardigd. Ter zitting heeft [eiser 1] verklaard dat hij zich telkens conformeert aan de jaarlijkse voorlopige belastingaanslag voor [eiser 2] en het geschatte bedrag elk jaar betaalt. Volgens zijn advocaat tekent [eiser 2] geen bezwaar aan tegen de voorlopige aanslagen, waardoor die definitief worden. Wat daar ook van zij, de jaarrekeningen vergen nog aandacht. Het is aan [eiser 1] om die voorafgaand aan de bodemprocedure compleet en controleerbaar te maken. [eiser 1] heeft ter zitting verklaard dat hij de jaarcijfers aanvankelijk zelf heeft willen opstellen en last had van uitstelgedrag. Hij heeft daar spijt van. Verder heeft hij verklaard dat hij de jaarrekeningen niet eerder kon overleggen dan in januari 2024. Inmiddels heeft hij een boekhouder gevonden, die hem heeft geholpen en nog kan helpen. Met de opmerkingen van Rabobank over de overgelegde jaarstukken moet [eiser 1] met hulp van zijn boekhouder aan de slag. Het is zaak dat [eiser 2] inzichtelijke jaarrekeningen en transparante overzichten van de financiële administratie maakt en zorgt dat (wellicht steekproefsgewijs) de achterliggende stukken daarop aansluiten. Rabobank moet onder andere facturen kunnen koppelen aan transacties op rekeningen en overzichten van Mollie kunnen matchen met documenten en inkoopverklaringen moet kunnen plaatsen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Rabobank heeft vooralsnog onvoldoende gemotiveerd betoogd dat zij haar onderzoek naar [eiser 2] niet kan afmaken en er reëel risico bestaat op oneigenlijk gebruik of misbruik van de bankrekening. Dit betekent dus dat nog geen sprake is van een situatie als in artikel 5 lid 3 Wwft. [eiser 2] krijgt dus op dit onderdeel vooralsnog het voordeel van de twijfel.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De beëindiging van de bankrelatie op grond van artikel 35 ABV</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat het op dit moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Rabobank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Eisers hebben meegewerkt aan het onderzoek van Rabobank en al met al is onvoldoende aannemelijk geworden, dat de bedrijfsvoering van [eiser 2] is gelinkt aan activiteiten waarop de Wwft ziet. [eiser 2] heeft een langdurige relatie met Rabobank en [eiser 1] een nog langere. Zij hebben er een groot belang bij dat zij bij Rabobank kunnen blijven bankieren. [eiser 2] heeft namelijk haar financiële administratie door middel van software ingericht op dat bankieren. Om de software aan te passen op een ander bank moet zij kosten maken. Hoewel het vinden van een andere bank niet onmogelijk is, moet zij daarvoor veel (administratieve) inspanningen verrichten. In het licht van de omstandigheid dat onvoldoende aannemelijk is dat [eiser 2] zich bezighoudt Wwft-activiteiten, kan dat niet van haar worden gevergd. Verder is onvoldoende gebleken dat [eiser 2] voor haar activiteiten gebruik kan maken van haar Belgische bankrekening. Volgens [eiser 2] betreft dit een ‘vreemde valuta’ rekening, die zij had geopend in verband met haar handel in het Verenigd Koninkrijk, waarmee zij na de Brexit is gestopt. Of en in hoeverre deze rekening kan worden gebruikt, is niet duidelijk geworden. In ieder geval vereist dit softwarematige aanpassingen, die voorshands niet van [eiser 2] kunnen worden gevergd. Dit geldt ook indien zij nog andere bankrekening in het buitenland blijkt te hebben.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Al het voorgaande geldt grotendeels ook voor de bankrelatie die [eiser 1] in privé heeft met Rabobank. Deze bankrelatie is immers opgezegd, omdat [eiser 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder en grootaandeelhouder van [eiser 2] niet zou hebben voldaan aan de informatieverzoeken van Rabobank. Ook [eiser 1] krijgt daarom voorlopig op dit onderdeel het voordeel van de twijfel. Op grond van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat Rabobank een afzonderlijk klantonderzoek naar [eiser 1] persoonlijk heeft gedaan, laat staan dat [eiser 1] vragen van de Rabobank aan hem in privé niet heeft beantwoord. Artikel 5 lid 3 Wwft kan daarom evenmin ten grondslag liggen aan de opzegging van de bankrelatie met [eiser 1] . Ook de belangenafweging pakt in zijn voordeel uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande wordt de vordering onder I (voortzetten bankrelatie) ten aanzien van eisers toegewezen. Het gebod blijft gelden totdat de (bodem)rechter anders beslist (of partijen anders overeenkomen). Dit gebod geldt als een ordemaatregel. Aan de veroordeling wordt de voorwaarde verbonden dat eisers binnen één maand een bodemprocedure starten. Het gevorderde verbod/gebod om de bankrekeningen van eisers te blokkeren/deblokkeren wordt bij gebrek aan belang afgewezen, nu eisers nog steeds gebruik hebben kunnen maken van hun bankrekeningen en met het toe te wijzen gebod dit gebruik wordt voortgezet. </para>
        <para>De vordering onder II zal worden afgewezen. Voortzetting van de bankrelatie impliceert namelijk al dat de huidige dienstverlening wordt voortgezet. </para>
        <para>De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu Rabobank heeft toegezegd een veroordelend vonnis na te komen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Eisers hebben geen vordering tot het verwijderen van de IVR-registratie ingediend. De gegevens van eisers blijven dus voorlopig geregistreerd. Overigens indien een dergelijke vordering wel zou zijn ingediend, zou die bij gebrek aan spoedeisend belang zijn afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Rabobank zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	135,97</para>
      <para>- griffierecht		688,00</para>
      <para>- salaris advocaat		1.107,00</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">- nakosten	             178,00</emphasis>
      </para>
      <para>Totaal	€ 	2.108,97.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>gebiedt Rabobank de bankrelatie met eisers op gebruikelijke wijze voort te zetten totdat de bodemrechter anders beslist, onder de voorwaarde dat eisers uiterlijk binnen één maand na datum van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maken,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] tot op heden begroot op € 2.108,97, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening indien het vonnis moet worden betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum van dit vonnis tot aan de voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2024.<footnote-ref linkend="_675bcafa-353e-4a8c-b9bc-dbadb110012d" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_675bcafa-353e-4a8c-b9bc-dbadb110012d" label="1">
    <para>type: GHF</para>
    <para>coll:  JT</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>