<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:3024</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-04T11:09:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.009.520-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenbeschikking">Tussenbeschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3024">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3024</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-04T10:36:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:3024 Rechtbank Amsterdam , 22-05-2024 / 13.009.520-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3024:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EAB t.b.v. vervolging en tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen. De OP kan niet met een Nederlander worden gelijkgesteld. Tussenuitspraak voor het stellen van vragen in verband met Poolse remand prisons.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3024:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.009.520-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 22 mei 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 21 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB)<footnote-ref linkend="_f989c94e-89f2-447b-a397-13efe4388b42" />.</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 19 oktober 2023 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Białystok Criminal Division III</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>nu gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. T. Mustafazade, advocaat in Amsterdam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_3bc7d372-a7d8-46c0-b3eb-162b08769901" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>een <emphasis role="italic">enforceable decision on temporary arrest</emphasis>:<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <para>I. <emphasis role="italic">decision on pre-trial detention ordered on 14 March 2023 by the Sad Rejonowy [District Court] in Białystok, case file ref. III Kp 559/23, case of the Prokuratura Rejonowa Białystok-Pólnoc [District Public Prosecutor's Office Białystok-Pólnoc] in Białystok, case ref. 1837.2020</emphasis> (<emphasis role="bold">hierna: zaak I</emphasis>);</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>II. <emphasis role="italic">decision on pre-trial detention ordered on 15 March 2023 by the Sad Rejonowy [District Court] in Białystok, case file ref. III Kp 558/23, case of the Prokuratura Rejonowa Białystok-Pólnoc [District Public Prosecutor's Office Białystok-Pólnoc] in Białystok, case ref. PR 1Ds. 673.2020</emphasis> (<emphasis role="bold">hierna: zaak II</emphasis>)</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>alsmede</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>een <emphasis role="italic">enforceable judgement: </emphasis><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>III. van <emphasis role="italic">the Sad Rejonowy [District Court] in Białystok issued on 12 July 2021, case ref. III K 948/20, which became valid and final on 20 July 2021</emphasis> (<emphasis role="bold">hierna: zaak III</emphasis>);</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>IV. van <emphasis role="italic">the Sad Rejonowy [District Court] in Białystok issued on 22 February 2021, case ref. III K 1075/20, which became valid and final on 2 March 2021</emphasis> (<emphasis role="bold">hierna: zaak IV</emphasis>).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van zaak I en zaak II</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van twee door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingestelde strafrechtelijke onderzoeken ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_6bc163b6-38de-4543-aac7-8289bbeeecbf" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van zaak III en zaak IV</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van </para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>zes maanden, waarvan volgens het EAB nog vijf maanden en 29 dagen resteren (zaak III) <?linebreak?>en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>één jaar (zaak IV), die volgens het EAB nog in zijn geheel uitgezeten moet worden, </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_692dd79d-4aee-48dc-8f39-c841583f5991" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (betreffende zaak III en </title>
    <bridgehead role="bold">        	zaak IV)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest in de procedures die tot de vonnissen in zaak III en zaak IV hebben geleid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon niet zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Er is post aan het adres van zijn grootvader gezonden, maar daar stond de opgeëiste persoon niet ingeschreven en daarom moeten aanvullende vragen worden gesteld over de toezending van de stukken. De opgeëiste persoon had namelijk ook op zijn Poolse BRP-adres (dat ook genoemd staat in de Nederlandse BRP) moeten worden opgeroepen. Hij verbleef in die tijd (in 2021) in Nederland en was in Polen slechts op vakantie. Hij heeft zich niet bewust dan wel onbewust aan de Poolse rechtspleging onttrokken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft kort weergegeven aangevoerd dat artikel 12 OLW niet in de weg staat aan overlevering van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van twee vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden hebben voorgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 april 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon in beide procedures als verdachte is gehoord (op respectievelijk 31 december 2019 en 31 januari 2020). Hij heeft in beide verhoren een adres in Białistok, Polen, opgegeven waarop hij bereikbaar zou zijn voor de Poolse justitiële autoriteiten (en waar klaarblijkelijk zijn grootvader woonde) en in beide procedures is de dagvaarding voor de zitting aan het door de opgeëiste persoon verstrekte adres gezonden. In beide procedures is  twee keer geprobeerd de dagvaarding aan de opgeëiste persoon te betekenen op dat adres, zonder dat dit is gelukt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast is in beide verhoren een zogenoemde adresinstructie aan de opgeëiste persoon verstrekt waarin hem is meegedeeld dat hij op het door hem opgegeven adres bereikbaar moest blijven voor de Poolse justitiële autoriteiten en dat hij eventuele adreswijzigingen moest doorgeven, alsmede wat de consequenties zouden zijn als hij dit niet zou doen. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructies getekend. Volgens zijn eigen verklaring woonde de opgeëiste persoon echter vanaf 2018 niet op dat adres maar in Nederland. Hij heeft echter nagelaten dat aan de Poolse autoriteiten door te geven. Ook heeft hij niet in de gaten gehouden (of laten houden) of er oproepen verstuurd werden naar het door hem opgegeven adres. Daarbij doet het er niet toe of hij op het opgegeven adres in Polen al dan niet ingeschreven stond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande was de opgeëiste persoon dus op de hoogte van de verdenkingen en van het feit dat er strafrechtelijke procedures tegen hem waren (dan wel zouden worden) gestart. De rechtbank is daarom van oordeel dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt. De geschetste omstandigheden tonen, minst genomen, een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van de opgeëiste persoon aan wat betreft zijn bereikbaarheid voor de Poolse justitiële autoriteiten, waaruit afgeleid kan worden dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de (kaderbesluitconform uitgelegde) eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zaak I en zaak II</emphasis>
      </para>
      <para>telkens: oplichting</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zaak III</emphasis>
      </para>
      <para>telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zaak IV</emphasis>
        <?linebreak?>diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Gelijkstelling met een Nederlander</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat er sterke aanwijzingen bestaan dat de opgeëiste persoon al vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als werknemer en economisch zelfstandige. Hij is namelijk sinds 2018 in Nederland. Er missen nog een aantal stukken, waaronder bankafschriften. Zijn huidige overleveringsdetentie vormt echter een praktisch obstakel om deze laatste stukken te vergaren en te overleggen. Verder kan hij nog verklaringen van onder meer zijn moeder overleggen. Bij haar had hij zijn hoofdverblijf omdat hij in Nederland via een uitzendbureau werkte dat ook voor zijn huisvesting zorgde maar waar hij zich niet mocht inschrijven. Nu het mogelijk is voor de opgeëiste persoon om deze resterende stukken te overleggen, kan hij worden gelijkgesteld met een Nederlander. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat de stukken ontoereikend zijn om te onderbouwen dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een van de vereisten om op grond van de artikelen 6 OLW en 6a OLW met een Nederlander te kunnen worden gelijkgesteld is dat de opgeëiste persoon aan de hand van overgelegde (objectieve) stukken aantoont dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de voorhanden zijnde stukken ontoereikend zijn om vast te stellen dat de opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het Uittreksel justitiële documentatie inzake de opgeëiste persoon blijkt dat hij in Nederland in 2022 op 7 juli een strafbaar heeft gepleegd waarvoor hij op 8 juli 2022 door de Politierechter in Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen waarvan 12 voorwaardelijk. De opgeëiste persoon heeft in 2022 dus klaarblijkelijk twee dagen gevangen gezeten. Vervolgens is hij ook in 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden (en is de tenuitvoerlegging bevolen van de resterende 12 dagen die in 2022 voorwaardelijk waren opgelegd) wegens een in dat jaar gepleegd strafbaar feit.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van haar jurisprudentie op grond van het arrest <emphasis role="italic">Onuekwere</emphasis> van het Hof van Justitie van de Europese Unie<footnote-ref linkend="_4e87b788-6451-4e83-9fb8-606789c0d0af" />, is de rechtbank van oordeel dat een periode die op grond van een straf in detentie is doorgebracht (in de uitvoerende lidstaat) niet meetelt voor de verwerving van duurzaam verblijfsrecht en dat een dergelijke periode het ononderbroken karakter van het verblijf doorbreekt. Deze regel is ook opgenomen in artikel 8.17, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, uitgelegd in het licht van deze rechtspraak. Reeds daarom is niet van belang of de opgeëiste persoon nog aanvullende stukken ter onderbouwing van zijn verblijf in Nederland kan overleggen, nog daargelaten dat het aan de opgeëiste persoon is om tijdig, ruim voor de zitting, alle gegevens ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer aan de rechtbank ter beschikking te stellen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan heeft opgebouwd en wordt de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld met een Nederlander. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_fed0e94e-7d90-40d9-9f61-5420aea0bee1" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaken I en II én hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken III en IV, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_70eb37e6-0208-4143-93d8-ee4f34fa9321" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">8. 	Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Poolse ‘</emphasis>
        <emphasis role="bold italic">remand prisons</emphasis>
        <emphasis role="bold">’ (betreffende</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold"> 	zaak I en zaak II) </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4.2 van de tussenuitspraak die zij op 5 april 2024 in een andere overleveringszaak heeft gewezen<footnote-ref linkend="_2dee60ae-c054-4ac3-a7db-b12fca050656" />; deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten van de verdediging en de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er aanvullende vragen gesteld dienen te worden ten aanzien van de detentieomstandigheden voor voorlopig gedetineerden in Polen, alhoewel niet valt uit te sluiten dat de opgeëiste persoon, omdat hij ook twee straffen moet uitzitten, helemaal niet in een ‘<emphasis role="italic">remand prison</emphasis>’ zal worden gedetineerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente uitspraken zijn aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.<footnote-ref linkend="_c9c4b335-cd96-415e-982d-186087167c55" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de bevindingen uit het CPT-rapport, en voormelde tussenuitspraak van 5 april 2024 ziet de rechtbank ook in onderhavige zaak aanleiding om aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen na een eventuele overlevering.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De zorgen van het CPT zien in hoofdlijnen op vier punten, namelijk: de medische zorg, het contact met de advocaat, een verblijf van 23 uur per dag op cel en het contact met de buitenwereld. Deze punten zijn eerder toegelicht, waarbij door de rechtbank in eerder genoemde recente uitspraken ook besloten is om geen aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de medische zorg en het contact met de advocaat.<footnote-ref linkend="_b4854c31-eca8-40c0-9e17-0430bf266108" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de Poolse autoriteiten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Geldt ten aanzien van de <emphasis role="italic">out-of-cell</emphasis> activiteiten die worden genoemd in de reactie van de Poolse autoriteiten van 22 februari 2024 dat die allemaal beschikbaar zijn voor voorlopig gedetineerden? Zo niet, welke <emphasis role="italic">out-of-cell</emphasis> activiteiten zijn wél beschikbaar voor voorlopig gedetineerden?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Mogen alle voorlopig gedetineerden deelnemen aan deze activiteiten, behoudens de situatie dat een beslissing tot (contact)beperking is opgelegd?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Als het zo is dat voorlopig gedetineerden gebruik kunnen maken van de aangeboden activiteiten of anderszins buiten de cel mogen verblijven (bijvoorbeeld in een gemeenschappelijke ruimte), hoeveel uur per dag kunnen zij buiten hun cel doorbrengen?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Maakt het voor de beantwoording van de bovenstaande vragen uit in welk huis van bewaring de voorlopig gedetineerde is geplaatst? Zo ja, kunt u uitleggen hoe dit per huis van bewaring verschilt?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Kunt u omschrijven welke procedure door een voorlopig gedetineerde moet worden gevolgd om toestemming te vragen voor het ontvangen van bezoek dan wel telefonisch contact met een ander dan de advocaat?</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>o Hoe lang duurt het voordat daar een beslissing op is genomen?</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Is de bevinding van het CPT, dat dit er voor voorlopig gedetineerden in de praktijk toe leidt dat zij slechts één keer per maand bezoek kunnen ontvangen voor maximaal 1 uur, nog steeds actueel? Zo ja, geldt dit alleen voor de bezochte <emphasis role="italic">remand prison</emphasis> of geldt dit ook voor andere huizen van bewaring?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>In welk huis van bewaring zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst?<footnote-ref linkend="_0c2acdf2-2cc6-4fd8-93b2-3fe8e0cc040d" /></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>- Hoeveel persoonlijke ruimte (in een meerpersoonscel) staat hem daar ter beschikking, waarbij de ruimte die in beslag wordt genomen door de sanitaire infrastructuur niet mag worden meegenomen?<footnote-ref linkend="_a1eb46fc-ad51-4489-86ee-9e55cbd6ab1d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 8.3 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissing;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 30 dagen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor <emphasis role="underline">15 juli 2024</emphasis> (het verstrijken van de beslistermijn) weer op zitting moet worden aangebracht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon en haar raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M. Delstra,                  				  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,		                         	   griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f989c94e-89f2-447b-a397-13efe4388b42" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3bc7d372-a7d8-46c0-b3eb-162b08769901" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6bc163b6-38de-4543-aac7-8289bbeeecbf" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_692dd79d-4aee-48dc-8f39-c841583f5991" label="4">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e87b788-6451-4e83-9fb8-606789c0d0af" label="5">
    <para> O.a. rechtbank Amsterdam, 14 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7207.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fed0e94e-7d90-40d9-9f61-5420aea0bee1" label="6">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_70eb37e6-0208-4143-93d8-ee4f34fa9321" label="7">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 én ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2dee60ae-c054-4ac3-a7db-b12fca050656" label="8">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9c4b335-cd96-415e-982d-186087167c55" label="9">
    <para>Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-261/22 (G.N.), ECLI:EU:C:2023:1017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4854c31-eca8-40c0-9e17-0430bf266108" label="10">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c2acdf2-2cc6-4fd8-93b2-3fe8e0cc040d" label="11">
    <para>Vergelijk HvJ EU, 25 juli 2018, C-220/18 (<emphasis role="italic">ML</emphasis>), ECLI:EU:C:2018:589.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a1eb46fc-ad51-4489-86ee-9e55cbd6ab1d" label="12">
    <para>HvJ EU, 15 oktober 2019, C-128/18 (<emphasis role="italic">Dorobantu</emphasis>), ECLI:EU:C:2019:857.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>