<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-29T10:01:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/189580-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2863">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-28T13:36:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2863 Rechtbank Amsterdam , 21-05-2024 / 13/189580-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2863:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolging Polen. De rechtbank ziet in de aankondiging van de Europese Commissie om de procedure op basis van artikel 7 VEU in te trekken op dit moment geen aanleiding te oordelen dat geen sprake meer is van een algemeen reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces. Nu de beslistermijn is verstreken ziet de rechtbank geen ruimte meer voor het stellen van aanvullende vragen met betrekking tot de detentieomstandigheden in de remand prisons en geeft geen gevolg aan het EAB.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2863:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/189580-23 (was: 13/751524-20) (EAB 1)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 21 mei 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 2 juli 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_1141b312-627a-489d-807a-1891113bdbc5" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2019 door <emphasis role="italic">the District Court of Legnica - III Criminal Department,</emphasis> Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, </para>
      <para>	niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,	</para>
      <para>	laatst bekende adres: [BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 3 september 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 september 2020, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat in Eindhoven, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op deze zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen over de Poolse rechtstaat af te wachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_8992d1f6-9796-4010-acff-2e8d7922d636" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 7 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 7 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat in Eindhoven. De raadsvrouw heeft desgevraagd verklaard dat de opgeëiste persoon haar uitdrukkelijk heeft gemachtigd om namens hem het woord te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken.<footnote-ref linkend="_3320d4aa-9128-470f-b7fa-5b94e15f8a5c" /> Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor de overleveringsdetentie.<footnote-ref linkend="_ca55b2c6-db83-4dee-8aad-b837913b8e2c" /> De rechtbank stelt dan ook vast dat de overleveringsdetentie is geëindigd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van <emphasis role="italic">the Regional Court of Lublin</emphasis> (Polen) van 22 mei 2018, referentie: II Kp 324/18.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_657dbbd5-2d51-4168-8c6c-2d1b37ec3801" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder I vermelde strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18 en 21 te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	georganiseerde of gewapende diefstal;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	racketeering en afpersing.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de onder II en III vermelde strafbare feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt ten aanzien van feit II vast dat hieraan is voldaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het feit levert naar Nederlands recht op: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van het voorhanden hebben van het onder feit III vermelde wapen stelt de rechtbank vast dat aan deze voorwaarden niet is voldaan, omdat dit feit is ingevolge artikel 2, categorie III, sub 4, van de Wet wapens en munitie niet strafbaar is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Desondanks kan ingevolge artikel 7, vierde lid, OLW de overlevering voor deze feiten toch worden toegestaan indien overlevering plaatsvindt tezamen met één of meer andere feiten die wel voldoen aan alle eisen van artikel 7, eerste lid, OLW. Nu deze feiten ondergeschikt zijn aan de onder feit I vermelde diefstal met geweld, ziet de rechtbank geen aanleiding om van toepassing van deze bevoegdheid af te zien.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Poolse rechtstaat</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_d595f10b-0c1a-403e-aa2a-30ac08bcd0a5" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_4cbf511d-ccfb-4fc5-ba35-1e1e6e35e823" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft aangevoerd dat mogelijk geen sprake meer is van genoemd algemeen reëel gevaar, gelet op recente ontwikkelingen in de politieke situatie in Polen en nu de Europese Commissie heeft aangekondigd de procedure tegen Polen, op basis van artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in te trekken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank volgt de officier van justitie niet. De artikel 7-procedure had tot doel om Polen als lidstaat te schorsen, vanwege een schending van de waarden van Europese Unie. De rechtsstaat in Polen werd volgens de Europese Commissie ondermijnd doordat het parlement te veel invloed kreeg op de media en rechterlijke macht. De Europese Commissie is nu voornemens die procedure in te trekken, omdat Polen een reeks maatregelen heeft getroffen om de zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht weg te nemen. De voorgenomen maatregelen, waarmee Polen deels ook al een aanvang heeft gemaakt, leiden er volgens de Europese Commissie toe dat er niet langer een duidelijk risico bestaat op een ernstige schending van de rechtsstaat. Deze maatregelen leiden er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat er op dit moment in Poolse strafprocedures geen algemeen reëel gevaar meer bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De maatregelen moeten namelijk grotendeels nog ten uitvoer worden gelegd, waarna deze pas hun voorgenomen effect kunnen sorteren en daadwerkelijk het gevaar kunnen wegnemen van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat onvoldoende informatie beschikbaar is over de detentieomstandigheden in de <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> in Polen en hierover ook geen nadere vragen meer kunnen worden gesteld omdat de beslistermijn is verstreken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in de <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> in Polen in deze zaak niet relevant zijn. De overlevering voor het gelijktijdig behandelde EAB voor de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf (EAB 2; 13/189570-23) kan namelijk worden toegestaan en de opgeëiste persoon zal om die reden na overlevering niet in een regime voor voorlopig gedetineerden gedetineerd worden. Subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd dat aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen moeten worden gesteld over de detentieomstandigheden in de <emphasis role="italic">remand prisons,</emphasis> alsmede over de vraag of na de feitelijke overlevering voorrang wordt verleend aan de vervolging van de opgeëiste persoon voor de in dit EAB omschreven feiten of aan de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf zoals vermeld in EAB 2.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente tussenuitspraken heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van een algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.<footnote-ref linkend="_09b217be-add5-4768-9b8c-60d6a18b87ce" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de bevindingen uit het CPT-rapport en de recente tussenuitspraken in soortgelijke zaken is het naar het oordeel van  de rechtbank ook in deze zaak nodig om aanvullende vragen te stellen ter beantwoording van de vraag of sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor personen die zich in Polen in voorlopige hechtenis bevinden. De termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen in deze zaak is echter al geruime tijd verstreken. Hierdoor heeft de rechtbank geen mogelijkheden meer om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie te vragen. De opgeëiste persoon mag daarvan echter niet de dupe worden. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om aan het EAB geen gevolg te geven (artikel 11, eerste lid, OLW). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en 2, 5, 7 en 11 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEEFT GEEN GEVOLG AAN</emphasis> het verzoek tot overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court of Legnica - III Criminal Department </emphasis>(Polen).</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. E.G.M.M. van Gessel,  				                      		   	voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en A.B. Sluijs,                         				   	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden en A.Q.L. van der Meulen,                  	griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1141b312-627a-489d-807a-1891113bdbc5" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8992d1f6-9796-4010-acff-2e8d7922d636" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid (oud), OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3320d4aa-9128-470f-b7fa-5b94e15f8a5c" label="3">
    <para> Zie artikel 22 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca55b2c6-db83-4dee-8aad-b837913b8e2c" label="4">
    <para> De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_657dbbd5-2d51-4168-8c6c-2d1b37ec3801" label="5">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d595f10b-0c1a-403e-aa2a-30ac08bcd0a5" label="6">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cbf511d-ccfb-4fc5-ba35-1e1e6e35e823" label="7">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_09b217be-add5-4768-9b8c-60d6a18b87ce" label="8">
    <para>Zie onder andere: Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>