<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-03T12:53:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1308247424</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2843">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-03T12:44:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2843 Rechtbank Amsterdam , 16-05-2024 / 1308247424</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2843:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools executie EAB. Artikel 12 OLW. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, lid 2, sub b OLW. Gedeeltelijk weigeren. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2843:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.082474.24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 16 mei 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 12 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_3ce4a7c8-043e-48e9-8c98-b05186dd063a" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 19 april 2023 door de <emphasis role="italic">District Court of Zamosć</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Justitieel Complex [plaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_42c0637d-c58d-4591-8e73-224ecbd9a5f0" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van de <emphasis role="italic">District Court of Zamosc </emphasis>van 5 maart 2018 (II K 89/17), gewijzigd door het vonnis van het hof van beroep van Lublin op 12 juli 2018 (II K 133/18).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het verzamelvonnis (referentie: II K 89/17) liggen 2 vonnissen ten grondslag:<?linebreak?>1. een vonnis van de <emphasis role="italic">District court of Zamosc </emphasis>( II K 44/15)<?linebreak?>2. een vonnis van de <emphasis role="italic">Regional court of Tomaszow Lubelski </emphasis>( II K 866/13) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 6 maanden en 2 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_7f1dd868-0228-44eb-8e0d-6a3dfba901c4" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzamelvonnis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_7888c323-08b8-4d37-98b5-e2e0c16206ce" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende informatie verstrekt op 29 maart 2024 door de uitvaardigende justitiële autoriteit, is onderdeel d) van het EAB toegevoegd met betrekking tot de procedure bij het hof van beroep van Lublin, waarbij is aangekruist dat de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing in de zaak met referentienummer II K 133/18. De aanvullende informatie van onderdeel d) vermeldt het volgende: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>‘<emphasis role="italic">the person was summoned in person on 18th May 2018 and thereby informed of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial;’</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende informatie is aangegeven dat de opgeëiste persoon op 18 mei 2018 in persoon is gedagvaard en er toen van in kennis is gesteld dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op het proces zou verschijnen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon, die op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren en die advocaat heeft zijn verdediging op het proces gevoerd. De weigeringsgrond ex artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van vonnis 1. (</emphasis>
          <emphasis role="underline italic">District court of Zamosc</emphasis>
          <emphasis role="underline">, zaaknummer II K 44/15)</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Hierdoor is ten aanzien van vonnis 1 de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van vonnis 2. (</emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Regional court of Tomaszow Lubelski</emphasis>
          <emphasis role="underline">, zaaknummer II K 866/13) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Hierdoor is ten aanzien van vonnis 2 de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1 en 2 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1 en 8, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="italic">Deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.</emphasis></para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op elk van deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit feit levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opzettelijk handelen in strijd met een artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, lid 2, sub b OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon in Nederland is veroordeeld voor een feit dat onderdeel lijkt te zijn van het feitencomplex van feit 2 in het EAB. De veroordeling voor dit feit is niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar. De weigeringsgrond van artikel 9, tweede lid, sub b en onder 2 OLW is daarmee van toepassing voor dit onderdeel van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering van de opgeëiste persoon partieel geweigerd dient te worden op grond van artikel 9, tweede lid, sub b onder 2 OLW<emphasis role="bold">.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, OLW luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘De overlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. hij bij rechterlijke gewijsde van de Nederlandse rechter dan wel van een rechter in een andere lidstaat van de Europese Unie is veroordeeld, in gevallen waarin:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">1°.de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2°.de opgelegde straf of maatregel niet meer voor tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3°.de veroordeling een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel inhoudt;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4°.de opgelegde straf of maatregel in Nederland wordt ondergaan.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis van 3 maart 2010</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 3 maart 2010 heeft de politierechter van de rechtbank Haarlem in de zaak met parketnummer 15-068789-09, de opgeëiste persoon veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 2200 euro subsidiair 32 dagen hechtenis wegens binnengebrachte goederen in strijd met de artikelen 40 en 41 van het Communautair douanewetboek niet bij de inspecteur aanbrengen, gepleegd met het oogmerk de rechten die bij invoer van de goederen zijn verschuldigd te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, met pleegdatum 7 maart 2009 te Schiphol . Uit de tenlastelegging blijkt dat de verdenking zag op 16.800 sigaretten van het merk L&amp;M Red Label. Blijkens het uittreksel justitiële documentatie is er sprake van ‘expiratie’ en is de geldboete oninbaar gebleken. Uit informatie van AICE van 26 maart 2024 blijkt dat het onherroepelijke vonnis sinds 4 mei 2018 niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of er sprake is van een veroordeling voor hetzelfde feit als waarvoor de overlevering wordt gevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 2 zou zijn begaan in de periode van 11 april 2008 tot en met 10 maart 2009 in Polen, België, Oekraïne, Groot-Brittannië en Nederland. Dit feit ziet volgens het EAB - kort gezegd - op het in vereniging importeren in de Europese Unie van “<emphasis role="italic">not less than 2.061.000 cigarettes make ‘LM’</emphasis>”, zonder daarover accijnzen te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat het op 7 maart 2009 begane feit waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland is veroordeeld en een deel van het in het EAB genoemde feit 2 waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld naar tijd, plaats en voorwerp een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden opleveren. In het EAB staat immers dat onder feit 2 mede valt het op 7 maart 2009 tezamen en in vereniging importeren van 40.000 sigaretten van Warschau naar Amsterdam. De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat dit hetzelfde feitencomplex betreft. Hiervoor is al overwogen dat de veroordeling in de zaak met parketnummer 15-068789-09 niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is.  In zoverre zal de rechtbank ten aanzien van dit feit de overlevering moeten weigeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat de rechtbank ten aanzien van feiten 1, 3 en feit 2, voor zover dit niet ziet op het op 7 maart 2009 tezamen en in vereniging importeren van 40.000 sigaretten van Warschau naar Amsterdam, vaststelt dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering voor deze feiten worden toegestaan. Voor het overige weigert de rechtbank de overlevering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd voor de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Dit staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 9 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">District Court of Zamosć</emphasis>, Polen<emphasis role="italic">, </emphasis>ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens feiten 1,3 en feit 2, met uitzondering van het feit waarvoor de Nederlandse veroordeling heeft plaatsgevonden (namelijk het op 7 maart 2009 tezamen en in vereniging importeren van 40.000 sigaretten van Warschau naar Amsterdam), van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens feit 2, namelijk het op 7 maart 2009 tezamen en in vereniging importeren van 40.000 sigaretten van Warschau naar Amsterdam, van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Snijders Blok-Nijensteen,  				                                          voorzitter,</para>
      <para>mrs. B. van Galen en R.A. Sipkens,                         				   	       rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van A. Gabriëlse en L.E. Poel,		                                            griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3ce4a7c8-043e-48e9-8c98-b05186dd063a" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42c0637d-c58d-4591-8e73-224ecbd9a5f0" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f1dd868-0228-44eb-8e0d-6a3dfba901c4" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7888c323-08b8-4d37-98b5-e2e0c16206ce" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>