<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-30T07:30:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-057322-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2825">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-28T11:05:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2825 Rechtbank Amsterdam , 16-05-2024 / 13-057322-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2825:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Polen, executie-EAB, gelijkstelling, overlevering geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW - verjaring</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2825:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-057322-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 16 mei 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 20 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_396e36ca-f7fa-4cee-ae9c-ef5f4e34a04a" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 1 april 2014 – en aangepast op 19 oktober 2021 – door een rechter van  <emphasis role="italic">the District Court of Lublin</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976, </para>
      <para>	opgegeven verblijfadres: [adres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 9 april 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon noch zijn raadsman, mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Ter zitting wordt, na contact te hebben gezocht met de raadsman, geconstateerd dat zij niet correct zijn opgeroepen. De behandeling van de zaak wordt aangehouden om de opgeëiste persoon en zijn raadsman aanwezig te laten zijn bij de zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 2 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB is in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 2 mei 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen, en bijgestaan door bovengenoemde raadsman en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_1363953f-1ea9-46d8-a7d7-b3b250523c36" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">judgment of the Provincial Court of Ryki </emphasis>van 12 september 2006, met kenmerk II K 266/06.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en twee maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_4a2e0bf5-89bb-42e2-9fd1-1f7220e400b4" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 1 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 2 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftappen of opnemen die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eerste voorwaarde </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is dus voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
      <para>De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 4 april 2024 volgt dat niet de verwachting bestaat dat de strafrechtelijke feiten er toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook aan deze voorwaarde is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt echter niet toe aan de beoordeling of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De reden daarvoor is dat de rechtbank op grond van het hiernavolgende tot het oordeel komt dat de overlevering zal worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd, maar wel benoemd dat het centrum van het leven van de opgeëiste persoon zich in Nederland bevindt. De opgeëiste persoon heeft aangegeven dat hij graag wil dat de overlevering wordt geweigerd, ook als dat is in verband met deze weigeringsgrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerleggingstermijn in de onderhavige zaak is verstreken. Het zwaarste strafmaximum is relevant voor deze toetsing, en uit artikel 70, eerste lid, sub 3, Wetboek van Strafrecht (Sr), volgt dat voor een feit waarop een gevangenisstraf van meer dan 3 jaren is gesteld het recht tot strafvordering vervalt door verjaring na 12 jaren. Artikel 6:1:22, tweede lid Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt vervolgens dat de tenuitvoerleggingstermijn 1/3de langer is dan de verjaringstermijn, en dus 16 jaar betreft. Die termijn vangt aan op de dag na de uitspraak, en aangezien de uitspraak op 22 februari 2007 onherroepelijk werd, is de tenuitvoerleggingstermijn op 23 februari 2023 verstreken. De overlevering kan daarom geweigerd worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit is echter een facultatieve weigeringsgrond. De tenuitvoerleggingstermijn is pas recent verstreken. Ook heeft de opgeëiste persoon niet ingeschreven gestaan in Nederland tijdens zijn verblijf, en dit begrijpt het openbaar ministerie als een poging om onder te duiken voor justitie. Bovendien zal de opgeëiste persoon, zolang de tenuitvoerleggingstermijn naar Pools recht nog niet is verstreken, rekening moeten houden met een eventuele aanhouding in een andere lidstaat als hij de grens over gaat. In Polen is pas in 2032 van verjaring sprake. Een weigering zonder overname zou dus consequenties hebben voor de opgeëiste persoon. Een en ander verhoudt zich niet tot het resocialisatiebelang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering dient hierom geweigerd te worden, met strafovername op grond van artikel 6a OLW, aldus de officier van justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">Overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging, of, zo de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, geen bestraffing meer kan plaatshebben.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander ertoe leidt dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen in 2006 is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht in dit geval 16 jaar is (op grond van artikelen 70, 139c en 311 Sr en artikel 6:1:22 Sv). De rechtbank heeft voor het berekenen hiervan het feit dat wordt bedreigd met het hoogste strafmaximum als uitgangspunt genomen. Het vonnis van <emphasis role="italic">the Provincial Court of Ryki</emphasis> van 12 september 2006 (met kenmerk II K 266/06) is onherroepelijk vanaf 22 februari 2007 en de tenuitvoerleggingstermijn is daarom in februari 2023 verstreken. Dit betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS bedoelde facultatieve grond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om af te zien van toepassing van de voornoemde weigeringsgrond. De rechtbank heeft hierbij gelet op de aard van de gepleegde strafbare feiten, het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten hebben lang geleden plaatsgevonden (in 2005). Nadat het vonnis uit 2006 in 2007 onherroepelijk werd, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit pas geruime tijd later, in 2014, een EAB uitgevaardigd. De opgeëiste persoon werkt en woont sinds 2006 in Nederland en heeft in Nederland sindsdien sociale, familiale en economische binding opgebouwd. Sinds 2010 is hij werkzaam bij dezelfde werkgever, en sinds 2013 woont hij in dezelfde koopwoning met zijn vrouw, dochter en (hulpbehoevende) broer. Ook is hij nooit in aanraking gekomen met justitie sinds zijn aankomst in Nederland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Pools recht nog niet is verstreken, is niet voldoende voor een ander oordeel. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de opgeëiste persoon zich desgevraagd bewust is van de gevolgen hiervan voor zijn persoonlijke situatie, in het bijzonder dat hij, zolang de tenuitvoerlegging van de straf naar het recht van Polen niet is verstreken – wanneer hij gebruik maakt van zijn vrije verkeersrechten binnen de Europese Unie – rekening moet houden met de mogelijkheid dat hij door een andere lidstaat van de Europese Unie aan Polen kan worden overgeleverd voor de tenuitvoerlegging van de straf. Niettemin geeft de opgeëiste persoon er de voorkeur aan dat de overlevering wordt geweigerd in verband met de verjaring naar Nederlands recht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de rechtbank de overlevering zal weigeren vanwege de verjaring van het recht op tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht, is weigering op grond van artikel 6a OLW niet meer aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 en 139c Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 9 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court of Lublin</emphasis>, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Snijders Blok-Nijensteen,			                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. B. van Galen en R.A. Sipkens,                				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.E. Poel,			                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_396e36ca-f7fa-4cee-ae9c-ef5f4e34a04a" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1363953f-1ea9-46d8-a7d7-b3b250523c36" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a2e0bf5-89bb-42e2-9fd1-1f7220e400b4" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>