<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2759</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-22T09:00:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/6554</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2759">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2759</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-22T08:59:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2759 Rechtbank Amsterdam , 15-05-2024 / 20/6554</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2759:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bestuurlijke boete vanwege het onttrekken van een woning aan de woningmarkt als gevolg van birdnesting-regeling. Eiser niet ingeschreven in het brp. Is de boete terecht opgelegd? Ja. Wordt de boete gematigd omdat enkel het formele vereiste van inschrijving is geschonden? Ja, feitelijk wordt er geen woning onttrokken. Beroep gegrond. Overschrijding redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2759:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 20/6554 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit Amsterdam, eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. F. Wijnveld),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. C.L. Brinks).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde bestuurlijke boete van € 20.500,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 18 november 2020 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid de bestuurlijke boete kon opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank is van oordeel dat het college de boete kon opleggen, maar matigt de hoogte van het boetebedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de boete terecht opgelegd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres 1] [huisnummer 1] (het appartement). Toezichthouders hebben op 7 november 2019 toeristen in het appartement aangetroffen. Deze hebben de woning via Airbnb geboekt. Eiser is niet in het bezit van een vergunning voor vakantieverhuur en stond niet op het appartement ingeschreven in de basisregistratie personen (brp). Het college heeft op 7 mei 2020 een bestuurlijke boete opgelegd wegens het overtreden van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat een woning die wordt verhuurd aan en gebruikt door toeristen, niet beschikbaar is voor duurzame bewoning. Daarmee wordt een woning aan de woonruimtevoorraad onttrokken. Dit geldt ook als een woning eenmalig en voor een korte duur aan toeristen wordt verhuurd.<footnote-ref linkend="_3b083691-ebbf-4c6f-b65a-e0d7937bf202" /> Het onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad is een overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet.</para>
    <para />
    <para>6. Het college kan bij overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet een boete opleggen.<footnote-ref linkend="_bad7f9f5-88aa-47bc-8063-891da6970ecd" /> Deze bevoegdheid brengt met zich mee dat het college mag bepalen dat van boeteaflegging wordt afgezien. Het college kan daarbij rekening kan houden met feiten en omstandigheden, zoals bijvoorbeeld die als bedoeld in artikel 3.1.2, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening.<footnote-ref linkend="_26aaa72d-2ec4-4140-95c7-238204ac6672" /> Het college legt geen boete op voor het onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad, als (onder andere) de hoofdbewoner de woning als feitelijk hoofdverblijf heeft en ook als zodanig in de basisadministratie staat ingeschreven.<footnote-ref linkend="_6cf67468-dce5-48bc-b6fe-76df5191d92d" /></para>
    <para />
    <para>7. Eiser voert aan dat hij in het kader van een zogeheten birdnesting-regeling het appartement heeft gekocht. Eiser heeft minderjarige kinderen die wonen in de woning aan de [adres 2] [huisnummer 2] (het ouderlijk huis). Tussen eiser en de moeder van de kinderen bestaat een co-ouderschapregeling waarbij om de beurt de ene ouder in het appartement verblijft en de andere ouder in het ouderlijk huis. Eiser heeft zich niet ingeschreven in het appartement omdat hij daarmee zijn parkeervergunning op het adres van de ouderlijke woning verliest. Hij heeft wel zijn hoofdverblijf in het appartement.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft vastgesteld dat eiser niet voldoet aan tenminste één van de voorwaarden waaronder het college afziet van het opleggen van een boete. Eiser staat in de brp niet op het adres van het appartement ingeschreven. Dat eiser deze keuze heeft gemaakt in het kader van zijn parkeervergunning,    maakt niet dat gevolgen van deze keuze niet voor rekening van eiser komen. </para>
    <para />
    <para>9. Omdat eiser niet in de brp staat ingeschreven en er daarmee geen sprake is van een situatie waarin het college afziet van het opleggen van een boete, komt de rechtbank in dit kader niet toe aan het beantwoorden van de vraag of eiser zijn hoofdverblijf in het appartement had.</para>
    <para />
    <para>10. Het college kon de boete dus in redelijkheid opleggen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Moet de boete worden gematigd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Eiser voert aan dat de boete ten onrechte niet is gematigd. Er zijn bijzondere omstandigheden die maken dat de vastgestelde boete te hoog is. De ernst van de overtreding is beperkt omdat eiser enkel een formeel vereiste heeft geschonden en deze schending geen overlast heeft veroorzaakt. Eiser voldoet namelijk aan de voorwaarden waaronder het college zou hebben afgezien van het opleggen van een boete, met uitzondering van de inschrijving in de brp. Eiser had zijn hoofdverblijf in de woning, de verhuur had geen bedrijfsmatig karakter en er is sprake van een geringe financiële draagkracht.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte van de boete te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan een lagere bestuurlijke boete oplegt, als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een boete te matigen.<footnote-ref linkend="_1aab9cbd-1c63-4521-9c49-79989f67ee39" /></para>
    <para />
    <para>13. Het onttrekken van woonruimte aan de woonruimtevoorraad is, gelet op de schaarste en grote druk op de woningmarkt, een ernstige overtreding.<footnote-ref linkend="_3ac3b61b-5a7e-4ebb-ba1e-b6f92833291c" /> Daardoor is een hoge boete, die afschrikt, gepast. Daarmee is niet gezegd dat zich geen bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding kunnen geven om een boete te matigen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>14. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij zijn hoofdverblijf in het appartement heeft. Eiser staat ingeschreven in het ouderlijk huis, verblijft daar in ieder geval ongeveer de helft van zijn tijd met zijn kinderen en hij ontvangt zijn post op dit adres. Daar komt bij dat tijdens het huisbezoek op 7 november 2019 nauwelijks persoonlijke spullen van eiser in het appartement zijn aangetroffen. Dat het appartement essentieel is in de uitvoering van de co-ouderschapregeling en dat de door eiser overgelegde verklaringen ondersteunen dat eiser inderdaad regelmatig in het appartement verblijft, maakt niet dat de rechtbank daaraan de conclusie verbindt dat eiser zijn hoofdverblijf in het appartement heeft.</para>
    <para />
    <para>15. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de boete moet worden gematigd vanwege een geringe financiële draagkracht. Eiser heeft gesteld dat hij de woning meerdere keren heeft verhuurd. De rechtbank kan op basis van de door eiser overgelegde gegevens niet vaststellen hoeveel voordeel eiser heeft genoten uit de overtreding. Ook heeft eiser geen gegevens overgelegd over zijn huidige financiële situatie. Daardoor kan de rechtbank niet beoordelen of de boete onevenredig hoog is.</para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank ziet in de overige omstandigheden van dit specifieke geval wel aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank begrijpt eiser zo dat de birdnesting-regeling is overeengekomen zodat de kinderen zo min mogelijk veranderingen ervaren als gevolg van de veranderingen in de relatie tussen hun ouders. Eiser is met de moeder van zijn kinderen een co-ouderschapregeling overeengekomen waarbij niet de kinderen wekelijks van huis veranderen, maar de ouders. Eiser houdt daarmee feitelijk niet meer schaarse woningen bezet, dan ieder ander huishouden met kinderen dat op een gegeven moment niet meer samenwoont. </para>
    <para />
    <para>17. Daarnaast volgt uit de stukken niet dat eiser aan meer dan vier personen per nacht onderdak verleende of dat de vakantieverhuur meer dan 30 dagen per jaar plaatsvond. Er zijn geen aanwijzingen van overlast.. Het voornaamste verwijt dat eiser ten aanzien van de vakantieverhuur kan worden gemaakt, is dat hij niet op het adres van het appartement stond ingeschreven. Het college noemt dit inmiddels een administratieve overtreding.<footnote-ref linkend="_d1ff6d75-cb30-496f-8490-5144ba1ee05b" /> Dergelijke overtredingen worden bestraft met een boete van € 3.000,-.  De rechtbank acht daarom een boete van € 3.000,- gepast.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Redelijke termijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>18. Eiser voert op zitting aan dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met drieënhalf jaar is overschreden. De boete zou moeten worden gematigd met 25%. </para>
    <para />
    <para>19. De rechtbank overweegt dat bestuurlijke boetes een ‘criminal charge’ zijn en vallen onder het strafrechtelijke deel van artikel 6 EVRM. Een zaak als deze moet binnen een redelijke termijn worden afgehandeld. De redelijke termijn bedraagt in beginsel voor een procedure in twee instanties – bezwaar en beroep - twee jaar en vangt aan op het moment dat de persoon in kwestie in de redelijkheid kan verwachten dat aan hem een boete wordt opgelegd. In dit geval dus vanaf het voornemen tot boeteoplegging. De termijn stopt wanneer de procedure is afgerond.<footnote-ref linkend="_a4616d7c-cba8-4cd3-bd48-73850e05e9c5" /></para>
    <para />
    <para>20. Het voornemen tot boeteoplegging dateert van 28 november 2019. Dat betekent dat er op de datum van deze uitspraak (afgerond) vier jaar en zes maanden zijn verstreken. Er zijn geen feiten en omstandigheden die maken dat de termijn langer mocht duren dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met twee jaar en zes maanden overschreden. In beginsel stelt de rechtbank bij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden de matiging naar bevind van zaken vast, met dien verstande dat de matiging van een boete bij een termijnoverschrijding van zes tot twaalf maanden 10% bedraagt.<footnote-ref linkend="_a8d0f3fe-deb2-41ce-91f3-922948e511b3" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Met verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de beroepsprocedure bij de rechtbank. Het beroep is immers op 9 december 2020 ingediend en pas op 3 april 2024 op zitting behandeld. Een matiging van de boete zou voor rekening van het bestuursorgaan komen, terwijl de termijnoverschrijding toe te schrijven is aan de rechtbank en daarmee toe te rekenen aan de Staat der Nederlanden. De rechtbank begrijpt het verzoek tot matiging van de boete daarom als een verzoek tot schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden wegens overschrijding van de redelijke termijn. <?linebreak?></para>
      <para>21. In geval van een schending van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden, bestaande uit spanning en frustratie. Eiser komt daarom in aanmerking voor vergoeding van de door hem geleden immateriële schade. Daarbij wordt uitgegaan van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Met de vastgestelde overschrijding van twee jaar en zes maanden, komt eiser in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade van € 2.500,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>23. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder is dan € 5.000,- en naar het oordeel van de rechtbank geen belangrijke nieuwe rechtsvragen aan de orde zijn over de toekenning van immateriële schadevergoeding is de Staat, gelet op zijn beleidsregel<footnote-ref linkend="_44669f75-c2c5-4ee5-a7c1-7ec443cb01a5" />, niet in de gelegenheid gesteld hierop verweer te voeren.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. Het beroep is gegrond omdat het college de boete ten onrechte niet heeft gematigd. Dit betekent de rechtbank het bestreden besluit vernietigt, voor zover de hoogte van de boete op € 20.500,- is gesteld. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72a van de Awb nu zelf een beslissing en stelt de hoogte van de boete op € 3.000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>24.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het besluit van 18 november 2020 voor zover daarin de boete is bepaald op <?linebreak?>€ 20.500;</para>
    <para>- herroept het besluit van 7 mei 2020 voor zover daarin de boete is bepaald op € 20.500,-;</para>
    <para>- bepaalt de boete op € 3.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 2.500,- schadevergoeding aan eiser;</para>
    <para>- bepaalt dat het college het griffierecht van € 178,- aan eiser moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Segbedzi, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op <?linebreak?>15 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3b083691-ebbf-4c6f-b65a-e0d7937bf202" label="1">
    <para> ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:317.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bad7f9f5-88aa-47bc-8063-891da6970ecd" label="2">
    <para> Artikel 4.2.2, eerste lid, Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (geldend van 01-01-2019 t/m 31-12-2019, verder Hvv).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26aaa72d-2ec4-4140-95c7-238204ac6672" label="3">
    <para> ABRvs 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:261.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cf67468-dce5-48bc-b6fe-76df5191d92d" label="4">
    <para> Artikel 3.1.2, zevende lid, aanhef en onder a Hvv</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1aab9cbd-1c63-4521-9c49-79989f67ee39" label="5">
    <para> ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1598.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ac3b61b-5a7e-4ebb-ba1e-b6f92833291c" label="6">
    <para> ABRvs 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3403.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d1ff6d75-cb30-496f-8490-5144ba1ee05b" label="7">
    <para> Zie bijlage 3 behorende bij artikel 4.2.1 bij de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a4616d7c-cba8-4cd3-bd48-73850e05e9c5" label="8">
    <para> ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2057.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8d0f3fe-deb2-41ce-91f3-922948e511b3" label="9">
    <para> HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_44669f75-c2c5-4ee5-a7c1-7ec443cb01a5" label="10">
    <para> De Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 (nr. 436935), Staatscourant 2014, 20210.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>