<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-07T15:23:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10834481</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2026-0533</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2748">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-02T14:12:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2748 Rechtbank Amsterdam , 15-05-2024 / 10834481</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2748:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arbeidsrecht. Werkgever heeft zich voldoende ingespannen om werknemer te herplaatsen: ontbindingsverzoek wordt toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2748:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">AMSTERDAM</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer \ rekestnummer: 10834481 \ EA VERZ  23-1272</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 15 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENTE AMSTERDAM</emphasis>, </para>
      <para>te Amsterdam,</para>
      <para>verzoekende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: de gemeente,</para>
      <para>gemachtigde: mr. C.M. Wijmans,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>verwerende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [verweerder] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. F.W. Amendt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het verzoekschrift van 6 december 2023, met producties,</para>
      <para>- het verweerschrift met voorwaardelijke tegenverzoeken, met producties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2024. Namens de gemeente zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en [naam 3] . Partijen hebben hun verzoeken toegelicht – de gemachtigde van de gemeente mede aan de hand van een pleitnota – en vragen van de kantonrechter beantwoordt. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 15 maart 2007 in dienst van de gemeente. Sinds 1 november 2020 is [verweerder] werkzaam in de functie van re-integratieconsulent (medewerker dienstverlening E) bij de directie Werk en Participatie. Deze functie houdt in het begeleiden van het re-integratieproces van uitkeringsgerechtigden met grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Het bruto salaris op basis van een werkweek van 36 uren bedraagt <?linebreak?>€ 3.839,- per maand exclusief individueel keuzebudget, waarin opgenomen vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Binnen enkele weken kreeg [verweerder] leidinggevende van collega’s die [verweerder] inwerkten slechte signalen over het functioneren van [verweerder] . Daarop heeft [verweerder] een ontwikkeltraject doorlopen dat erop gericht was dat hij de functie van re-integratieconsulent wel op een voldoende niveau zou kunnen uitvoeren. In de zomer van 2022 heeft de gemeente [verweerder] meegedeeld dat hij niet geschikt is en ook niet binnen afzienbare termijn geschikt zal worden voor de functie van re-integratieconsulent. Overleg met [verweerder] over een andere functie leidde niet tot herplaatsing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De gemeente heeft vervolgens de kantonrechter in oktober 2022 verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. De kantonrechter heeft in de beschikking van 14 februari 2023 het ontbindingsverzoek afgewezen, kort gezegd omdat weliswaar is voldaan aan de d-grond (disfunctioneren), maar de gemeente onvoldoende aan haar herplaatsingsinspanningen heeft voldaan. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat als duur van het herplaatsingstraject de voor [verweerder] geldende opzegtermijn kan worden aangehouden, namelijk vier maanden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Vervolgens is het herplaatsingstraject ingegaan, dat werd georganiseerd door het carrièrecentrum van de gemeente. Aanvankelijk heeft [verweerder] vanaf april 2023 een traject doorlopen voor de duur van vier maanden, maar dit traject is verlengd tot oktober 2023. Tijdens het traject werd [verweerder] begeleid door een loopbaanadviseur. Dit traject heeft niet tot daadwerkelijke herplaatsing geleid.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De gemeente verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege – kort gezegd – disfunctioneren of een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van deze gronden. Verder verzoekt de gemeente [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De gemeente stelt hiertoe dat de kantonrechter in de beschikking van 14 februari 2023 al heeft geoordeeld dat is voldaan aan de d-grond (disfunctioneren). De gemeente stelt zich verder op het standpunt dat zij zich inmiddels voldoende heeft ingespannen om [verweerder] te herplaatsen, maar dat dit niet mogelijk is gebleken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het verweer van [verweerder] strekt tot afwijzing van het verzoek van de gemeente. [verweerder] voert aan dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen en dat de gemeente de herplaatsingsmogelijkheden onvoldoende heeft onderzocht. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wél ontbindt, is die ontbinding volgens [verweerder] het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de gemeente. In dat geval verzoekt [verweerder] de gemeente te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, een billijke vergoeding van <?linebreak?>€ 500.000,00 bruto en een immateriële schadevergoeding begroot op € 50.000,00 bruto. In beide gevallen verzoekt [verweerder] de gemeente te veroordelen in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Zoals ook op de zitting met partijen is besproken, is niet in geschil dat sprake is van disfunctioneren op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om de vraag of is voldaan aan de herplaatsingsplicht. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De vereisten aan het onderzoek dat de werkgever moet uitvoeren naar herplaatsing liggen vast in de Ontslagregeling (artikel 9) en de jurisprudentie. Het komt erop neer dat op de werkgever een inspanningsverplichting rust om te bezien of de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere functie kan worden geplaatst. De werknemer moet worden betrokken in dit onderzoek. Of herplaatsing al dan niet in de rede ligt, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of dat in de gegeven omstandigheden van de werkgever kan worden gevergd, waarbij redelijkheidsargumenten een rol kunnen spelen. De werkgever heeft dus een zekere beoordelingsruimte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In dit verband is allereerst van belang dat de gemeente een grote organisatie is, waardoor de mogelijkheden om een werknemer te herplaatsen groter zijn dan wanneer sprake is van een klein bedrijf. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Verder wordt hier in aanmerking genomen dat de gemeente niet de door de kantonrechter voorgestelde duur van het herplaatsingstraject van de voor [verweerder] geldende opzegtermijn van vier maanden heeft aangehouden, maar dat dit traject is verlengd van april tot oktober 2023. Dat is in totaal zes maanden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Uit de overgelegde stukken blijkt dat [verweerder] tijdens het herplaatsingstraject werd begeleid door een loopbaanadviseur. Gedurende dit traject is de loopbaanadviseur actief op zoek gegaan naar passende functies voor [verweerder] . In deze periode heeft [verweerder] gebruik kunnen maken en ook daadwerkelijk gebruik gemaakt van deze loopbaanadviseur. Zo heeft [verweerder] op zitting toegelicht dat hij zijn cv en zijn motivatiebrieven aan haar heeft voorgelegd. Verder kreeg hij tips van haar voor de sollicitatiegesprekken. Daarnaast heeft [verweerder] een voorrangsstatus als hij op een functie solliciteert. [verweerder] heeft op voorstel van zijn loopbaanadviseur en op eigen initiatief ook meerdere sollicitatiegesprekken gevoerd. Hoewel uit het door de gemeente overgelegde verslag van het plaatsingsproces en het overzicht van de vacatures slechts summier blijkt waarom bepaalde functies niet aan [verweerder] zijn voorgesteld, kan dit naar het oordeel van de kantonrechter wel uit de context worden gehaald, zoals de functieomschrijving en de geuite wensen van [verweerder] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>In de zomer van 2023 heeft [verweerder] gesolliciteerd op een functie binnen de gemeente waarvoor hij in principe ook was aangenomen, maar nadien werd hij voor de betreffende functie toch afgewezen omdat zijn huidige leidinggevende geen positieve referentie heeft gegeven. [verweerder] stelt dat zijn leidinggevende hem heeft tegenwerkt bij deze sollicitatie. De kantonrechter volgt hem daarin niet. Op zitting heeft de gemeente toegelicht dat het ging over een functie met competenties waarvoor al een ontwikkeltraject was doorlopen en waarover de kantonrechter al had geoordeeld dat sprake is van disfunctioneren. Om die reden kon zij geen positieve referentie geven. Dat mag en is naar het oordeel van de kantonrechter ook niet onterecht. Dat de leidinggevende [verweerder] zou hebben tegengewerkt bij deze sollicitatie, is dan ook niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De omstandigheid dat de gemeente in deze periode [verweerder] geen scholing heeft aangeboden, maakt niet dat de gemeente niet of onvoldoende heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting. [verweerder] had immers al een verbetertraject met scholing doorlopen. Nog meer scholing op dat vlak kan niet verlangd worden van de gemeente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [verweerder] stelt dat hij zelf diende te solliciteren en dat daarom geen sprake is van een ‘voorrangsstatus’. Van belang is echter dat het wat de herplaatsingsverplichting betreft gaat om een inspanningsverplichting van de werkgever en niet om een resultaatsverplichting. De kantonrechter begrijpt uit de verklaring van [verweerder] ter zitting dat in het geval waar hij op wijst, hij op eigen initiatief heeft geprobeerd herplaatst te worden door te solliciteren op een functie binnen de gemeente. Maar hij werd voor de betreffende functie afgewezen, terwijl dat volgens hem wel een passende functie betrof. De gemeente heeft hierbij verklaard dat de voorrangstatus geldt voor de via de loopbaanadviseur voorgestelde functies en niet voor andere functies waarop hij op eigen initiatief solliciteert. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval dan ook geen sprake van het ten onrechte onthouden van de voorrangsstatus en is dus geen sprake geweest van een herplaatsingsmogelijkheid. Verder heeft [verweerder] geen concrete functies genoemd waarin hij herplaatst had kunnen worden of binnenkort geplaatst zal kunnen worden. Hieruit leidt de kantonrechter af dat er geen herplaatsingsmogelijkheden voor [verweerder] zijn binnen de gemeente.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de gemeente samen met [verweerder] een termijn van ongeveer zes maanden actief een herplaatsingstraject heeft doorlopen. De kantonrechter oordeelt dat daarmee vast is komen te staan dat de gemeente zich gedurende een redelijke termijn voldoende heeft ingespannen om [verweerder] te herplaatsen. Dat dit uiteindelijk niet gelukt is, is spijtig voor [verweerder] maar kan niet tot het oordeel leiden dat de gemeente onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de gemeente zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 juli 2024. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met een minimum van een maand. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. Uitgaande van een ontbinding per 1 juli 2024 bedraagt de transitievergoeding € 25.398,53.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding of een immateriële schadevergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan namelijk alleen worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9 onder b BW). [verweerder] heeft onvoldoende gesteld dat hiervan in dit geval sprake is en dat is ook niet gebleken. Daarnaast brengt een ontslagtraject heel begrijpelijk spanning met zich mee, maar dat is onvoldoende om een immateriële schadevergoeding toe te kennen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Nu aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft de gemeente geen gelegenheid krijgen het verzoek in te trekken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>De proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2024;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>veroordeelt de gemeente tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding van <?linebreak?>€ 25.398,53 bruto,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2024 in tegenwoordigheid van mr. R. Boerlage, griffier.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>