<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2697</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-13T15:45:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-073310-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2697">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2697</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-13T14:33:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2697 Rechtbank Amsterdam , 07-05-2024 / 13-073310-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2697:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EAB ter tenuitvoerlegging vonnis - artikel 12 OLW - overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2697:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-073310-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 1 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 4 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_9424fcab-4ea0-4c9c-aa2e-64998c821d4a" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 januari 2024 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Opole</emphasis> (Polen), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">        [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
        <?linebreak?>geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,<?linebreak?>        ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:<?linebreak?>        [BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 april 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_d945af40-57c1-4f9e-9200-a12cd94c1413" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt de volgende vonnissen:</para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>- 1. <emphasis role="italic">Sentence of the Regional Court in Opole as of 26ᵗʰ October 2022, file no.: III K 116/20</emphasis></para>
    <para>waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 8 maanden, waarvan nog 2 jaar en 7 maanden en 28 dagen resteren. </para>
    <para />
    <para>- 2. <emphasis role="italic">Sentence of the District Court in Brzeg as of 11ᵗʰ October 2021, file no.: II K 101/21</emphasis></para>
    <para>waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van </para>
    <para>6 maanden, nog in zijn geheel te ondergaan.</para>
    <para>
      <?linebreak?>- 3.<emphasis role="italic"> Sentence of the District Court in Opole as of 5ᵗʰ August 2021, file no.: II K 400/21</emphasis></para>
    <para>waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar, waarvan nog 21 maanden en 5 dagen resteren.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bovengenoemde vrijheidsstraffen op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovengenoemde vonnissen betreffen de feiten zoals deze zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_cbbaaa6c-a8e4-474b-ade4-1fd11eaa54ba" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <bridgehead role="underline">1. Vonnis III K 116/20 en arrest II AKa 464/22</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aanvullende informatie van 28 maart 2024 staat vermeld dat het vonnis in eerste aanleg van de <emphasis role="italic">District Court in Opole</emphasis> van 26 oktober 2022, met nummer III K 116/20<?linebreak?>definitief is geworden bij arrest van 5 juli 2023 van de <emphasis role="italic">Court of Appeals in Wroclaw, </emphasis>met nummer II AKa 464/22. De opgeëiste persoon is niet verschenen maar zijn <emphasis role="italic">defence attorney</emphasis> was wel ter zitting aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan<footnote-ref linkend="_5aab02ea-97e6-4e79-b3c7-3364f79f2153" />.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal dan ook alleen ten aanzien van de procedure in hoger beroep toetsen of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich voordoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 5 april 2024 blijkt dat de niet verschenen opgeëiste persoon gedurende het proces in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigd raadsman. Uit de aanvullende informatie leidt de rechtbank af dat de gemachtigd raadsman ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd.</para>
      <para>Op grond hiervan doet zich de situatie als bedoeld in artikel 12 onder b OLW zich voor waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="underline">2. Vonnis II K 101/21</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 5 april 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat tot het vonnis met nummer II K 101/21 van de<emphasis role="italic"> District Court in Brzeg</emphasis> van 11 oktober 2021 heeft geleid maar dat de opgeëiste persoon ter zitting is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde raadsman. Uit de aanvullende informatie leidt de rechtbank af dat de gemachtigd raadsman ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd.</para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande de situatie als bedoeld onder artikel 12 onder b OLW zich voordoet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="underline">3. Vonnis II K 400/21 en arrest VII Ka 889</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aanvullende informatie van 28 maart 2024 staat vermeld dat het vonnis in eerste aanleg van de <emphasis role="italic">District Court in Opole</emphasis> van 5 augustus 2021, met nummer II K 400/21<?linebreak?>definitief is geworden bij arrest van 26 januari 2022 van de <emphasis role="italic">District Court in Opole </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Criminal Appeals Division, </emphasis>met nummer VII Ka 889. De opgeëiste persoon is niet verschenen bij de procedure in hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan<footnote-ref linkend="_5ba71025-9316-463f-9925-e2bcc53104f2" />.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal dan ook alleen de procedure in hoger beroep toetsen of voldaan is aan het vereiste van artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 5 april 2024 blijkt dat de niet verschenen opgeëiste persoon gedurende het proces in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigd raadsman. Uit de aanvullende informatie leidt de rechtbank af dat de gemachtigd raadsman ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd.</para>
      <para>Op grond hiervan doet zich de situatie als bedoeld in artikel 12 onder b OLW zich voor waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1, 2, 4 en 9 aan als zogenoemde lijstfeiten die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	1.  deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">            5. Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 3, 5, 6, 7 en 8 niet aangeduid als feiten</para>
        <para>waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten 3, 5, 6, en 8 leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 3: <emphasis role="italic"> wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 	enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 5: <emphasis role="italic">overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 6<emphasis role="italic">: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort,  </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">           beschadigen;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 8: <emphasis role="italic">overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft aangevoerd dat het negeren van een stopteken in het verkeer geen strafbaar feit oplevert. Op grond hiervan dient de overlevering voor feit 7 van het EAB te worden geweigerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in het EAB beschreven strafbare gedraging van feit 7 valt onder het negeren van een ambtelijk bevel zoals bepaald in artikel 184 Wetboek van Strafrecht. Er is dus geen reden om tot weigering van de overlevering voor dit feit over te gaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank leidt uit de feitsomschrijving van feit 7 van het EAB af dat de opgeëiste persoon als bestuurder van een personenvoertuig niet is gestopt bij een verkeerscontrole van de Poolse politie terwijl hem door middel van geluid- en lichtsignalen duidelijk werd gemaakt dat hij zijn voertuig tot stilstand moest brengen. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor omschreven gedraging kan worden aangemerkt als het niet stoppen voor een stopteken van de politie, zoals strafbaar gesteld in artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Feit 7 levert daarom naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">overtreding van het bepaalde van artikel 83 van het Reglement verkeersregels en          </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">             verkeerstekens 1990</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 83 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen </para>
      <para>9, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 181 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis>  aan de <emphasis role="italic">Regional Court in Opole</emphasis> (Polen), voor de feiten zoals deze zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier,  				                         		             voorzitter,</para>
      <para>mr. H.J. Bos en mr. A.L. op ‘t Hoog                         				                rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,                   		                            griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9424fcab-4ea0-4c9c-aa2e-64998c821d4a" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d945af40-57c1-4f9e-9200-a12cd94c1413" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbbaaa6c-a8e4-474b-ade4-1fd11eaa54ba" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5aab02ea-97e6-4e79-b3c7-3364f79f2153" label="4">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ba71025-9316-463f-9925-e2bcc53104f2" label="5">
    <para> Zie voetnoot 4.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>