<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:260</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-22T12:42:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.065147-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:260">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:260</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-19T10:17:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:260 Rechtbank Amsterdam , 18-01-2024 / 13.065147-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:260:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Roemeens EAB t.b.v. executie van een vrijheidsstraf. Art. 11 OLW. De OP stelt in Roemenië geen eerlijk proces te hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces bestaat dat verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van Roemenië niet onpartijdig zijn wegens structurele of fundamentele gebreken in die staat. Het verweer dat al van een voltooide schending van de grondrechten sprake is wordt eveneens verworpen. Ingevolge de rechtspraak van het HvJ EU kan de rechtbank niet alleen niet eisen dat een andere lidstaat een hoger nationaal niveau van bescherming van de grondrechten biedt dan door het Unierecht wordt verzekerd, maar kan zij evenmin nagaan of die andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Unie gewaarborgde rechten heeft geëerbiedigd. Weliswaar kan het de rechtbank als uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn toegestaan om op grond van artikel 1, derde lid, van kaderbesluit 2002/584/JBZ bij wijze van uitzondering geen gevolg aan een EAB te geven wanneer de OP in geval van overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces zal worden aangetast, maar dan moet (zoals hiervoor reeds is overwogen) de rechtbank eerst beschikken over gegevens die er op wijzen dat er van een reëel gevaar van schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces sprake is wegens structurele of fundamentele gebreken inzake de werking van het gerechtelijk apparaat van Roemenië. Over dergelijke gegevens beschikt de rechtbank niet. Overlevering wordt toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:260:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.065147-22</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 januari 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 17 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_af2add1c-0b12-4c49-9e40-eafe687e94ee" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 11 november 2021 door <emphasis role="italic">the District Court Constanţa</emphasis>, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] , </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1999, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 januari 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_92781d66-785a-4096-ad5e-e876cd115e68" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">final and enforceable decision</emphasis> van 30 september 2020 (361/30.09.2020) van <emphasis role="italic">the District Court Constanţa, final by the criminal decision of the Court of Appeal Constanţa</emphasis> van 27 oktober 2021 (818/P/27.10.2021). </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 4 jaar, 9 maanden en 9 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_8417456a-5803-4bfc-896e-fccc14dc16d9" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft geen verweer gevoerd inzake artikel 12 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat uit de aanvullende informatie van 15 december 2023 volgt dat de procedure in hoger beroep moet worden getoetst aan artikel 12 OLW, omdat in deze procedure in feite en in rechte ten gronde is geoordeeld over de schuld en de strafoplegging. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen op de behandeling van de zaak in hoger beroep, maar er is sprake van gemachtigde advocaten die daadwerkelijk zijn verdediging hebben gevoerd. Daarom is de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW van toepassing en staat deze weigeringsgrond niet aan overlevering in de weg. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 15 december 2023 vast dat in hoger beroep sprake was van een procedure die heeft geleid tot een arrest waarbij de in eerste aanleg uitgesproken beslissing is bevestigd en aldus de zaak ten gronde definitief is beslecht.<footnote-ref linkend="_1fcabf39-812c-439f-8ef7-706c064d101e" /> De rechtbank stelt daarom vast dat alleen de procedure in hoger beroep onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a, c en d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Weliswaar is de opgeëiste persoon ter zitting in hoger beroep door twee gekozen advocaten vertegenwoordigd, maar niet kan worden vastgesteld dat hij (één van) de advocaten daadwerkelijk heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Uit het feit dat de advocaten door de opgeëiste persoon zelf gekozen waren, volgt immers niet zonder meer dat de advocaten ook gemachtigd waren om de verdediging van de opgeëiste persoon te voeren.<footnote-ref linkend="_188c0d3e-5d50-4372-a7d4-3118d86190c0" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld en dat hij zelf het appelschrift heeft ondertekend. Vervolgens heeft hij ten behoeve van de procedure in hoger beroep twee (door hem gekozen) advocaten ingeschakeld. Verder heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij niet aanwezig was bij de behandeling van het beroep omdat hij toen al naar Nederland was vertrokken. De oproepingen voor de zittingen in hoger beroep zijn steeds verstuurd naar het door de opgeëiste persoon in zijn appelschrift opgegeven adres in Roemenië.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de verdenking en van het feit dat jegens hem een strafrechtelijke procedure aanhangig was. Hij heeft er vervolgens zelf voor gekozen om, nadat hij hoger beroep had ingesteld, hangende de appelprocedure naar Nederland te vertrekken. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot het op de hoogte blijven van het verloop van de door hem zelf ingestelde appelprocedure.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op het feit naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de </para>
      <para>overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schending van de artikelen 4, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Handvest’)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Door de raadsman is betoogd, zakelijk weergegeven, dat de overlevering moet worden geweigerd dan wel, subsidiair, dat nadere informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit moet worden opgevraagd en de behandeling van het overleveringsverzoek daartoe moet worden aangehouden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft in de Roemeense strafzaak van meet af aan verklaard dat hij door de politie is mishandeld en onder druk is gezet om een bekennende verklaring af te leggen. Er is dus sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Dit is voor het eerst in de ‘voorfase’ van de strafrechtelijke procedure voor <emphasis role="italic">the Preliminary Chamber</emphasis> aangevoerd. In <emphasis role="italic">the Preliminary Chamber</emphasis> heeft een Roemeense rechter zich vóór de uiteindelijke strafzaak al over de rechtmatigheid van het (tot dan toe) vergaarde bewijs gebogen. Diezelfde rechter heeft de strafzaak nadien echter ook inhoudelijk behandeld. De rechter die over de voorfase heeft geoordeeld, heeft dus ook geoordeeld over de inhoudelijke zaak. Dat is in strijd met het recht op een eerlijk proces en daarmee is sprake van een voltooide schending van de verdedigingsrechten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De schijn van partijdigheid kan (objectief gezien) al worden gewekt indien de zittingsrechter als rechter-commissaris heeft gehandeld in het vooronderzoek. De opvolgende uitoefening van de functie als onderzoeksrechter en als zittingsrechter levert twijfels op over de onafhankelijkheid van de zittingsrechter. Die twijfels worden versterkt doordat de meest belangrijke kwestie, de bewijsuitsluiting, is behandeld door dezelfde rechter die zowel in de voorfase als in de zittingsfase van de strafrechtelijke procedure jegens de opgeëiste persoon heeft geoordeeld. Kortom, er is geen sprake van een onafhankelijke zittingsrechter geweest. Dat de opgeëiste persoon tegen de beslissing van de zittingsrechter hoger beroep heeft ingesteld, betekent ten slotte niet dat daarmee alsnog is voldaan aan het recht op een eerlijk proces.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gemotiveerd tot verwerping van het verweer geconcludeerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘<emphasis role="italic">HvJ EU</emphasis>’) zal de rechtbank eerst moeten vaststellen of verdachten in Roemeense strafzaken een reëel gevaar van schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces lopen wegens structurele of fundamentele gebreken wat de onpartijdigheid van de rechterlijke macht in Roemenië betreft, omdat aldaar rechters die in het vooronderzoek als rechter(-commissaris) optreden ook als zittingsrechter bij de inhoudelijke behandeling van dezelfde strafzaak kunnen optreden.<footnote-ref linkend="_0f257143-28d3-4270-bd11-7d799fdc8185" /></para>
        <para>De rechtbank dient daarom op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in de uitvaardigende lidstaat na te gaan of er een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces bestaat dat verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van Roemenië niet onpartijdig zijn wegens structurele of fundamentele gebreken in die staat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank beschikt zij niet over dergelijke gegevens. Nu daarmee niet aan de eerste stap van de in de rechtspraak van het HvJ EU neergelegde tweestappentoets is voldaan, slaagt het verweer reeds hierom niet. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat er geen algemeen, reëel gevaar hoeft te worden vastgesteld omdat al van een voltooide schending van de grondrechten sprake zou zijn, overweegt de rechtbank het volgende. </para>
        <para>Ingevolge de rechtspraak van het HvJ EU kan de rechtbank niet alleen niet eisen dat een andere lidstaat een hoger nationaal niveau van bescherming van de grondrechten biedt dan door het Unierecht wordt verzekerd, maar kan zij evenmin nagaan of die andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Unie gewaarborgde rechten heeft geëerbiedigd.<footnote-ref linkend="_63af32c8-7eea-4886-9299-28f095ae6957" /> Weliswaar kan het de rechtbank als uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn toegestaan om op grond van artikel 1, derde lid, van kaderbesluit 2002/584/JBZ bij wijze van uitzondering geen gevolg aan een EAB te geven wanneer de opgeëiste persoon in geval van overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces zal worden aangetast, maar dan moet (zoals hiervoor reeds is overwogen) de rechtbank eerst beschikken over gegevens die er op wijzen dat er van een reëel gevaar van schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces sprake is wegens structurele of fundamentele gebreken inzake de werking van het gerechtelijk apparaat van Roemenië. Over dergelijke gegevens beschikt de rechtbank, zoals hiervoor geoordeeld, niet. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 4 Handvest; detentieomstandigheden in Roemenië</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: Handvest</emphasis>) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen.<footnote-ref linkend="_f9d92731-c226-4c2e-a908-2e405d34bf13" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van het wederzijdse vertrouwen dat tussen de lidstaten moet bestaan en gelet op met name de termijnen die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten krachtens artikel 17 van het Kaderbesluit zijn opgelegd voor de vaststelling van de definitieve beslissing tot uitvoering van een EAB, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit enkel verplicht de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar, volgens de informatie waarover zij beschikt, deze persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of </para>
        <para>voorlopige basis.<footnote-ref linkend="_020a3db9-c268-4e80-99ab-36bce91f3316" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 14 december 2023 is namens <emphasis role="italic">the Ministry of Justice, National Administration of Penitentiaries</emphasis> de volgende garantie verstrekt: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>If  the  prisoner  shall  be  surrendered  (…)  he  shall  be  initially  placed  in  the  București-Rahova Penitentiary in order to be subject to the quarantine period for a period of 21 days in a room that will ensure him a minimum space of 3 m2 .</para>
        <para>(…)</para>
        <para>Having regard to the length of the sentence, this will most likely serve the custodial sentence initially in the closed regime. Furthermore, having regard to his domicile, this  will  most  likely  serve  the  sentence,  for  the  start,  in  the  Slobozia Penitentiary.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>The  named  [opgeëiste persoon]  will  benefit  from  a  minimum  individual  space  of  3  square  meters,  for  the  whole  period  of  execution  of  the sentence, including the bed and related furniture, without including the space for the sanitary group, the number of inmates being configured in relation to the surface of the  room.  Each  prisoner  will  be  provided  with  an  individual  bed  equipped  with specific accommodation.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">With regard to the prospect of implementation of the measures included  in </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">the ‘the Action Plan for the period 2020-2025 developed with a view to implementing </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">the  Rezmives  and  others  v.  Romania  pilot  judgment,  as  well  as  the  judgments </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">rendered  in  the  Bragadireanu  v.  Romania  group  of  cases’’  and  the  number  of </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">inmates in the custody of the National Administration of Penitentiaries, as a result of </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">the penal policies adopted by the Romanian state, the National Administration of </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Penitentiaries guarantees the assurance of a minimum personal space of 3 m2 </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">during the entire term of the sentence, including the bed and furniture, without </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">including the space for the sanitary group.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garanties.<footnote-ref linkend="_fa457d36-e41c-4819-a697-f26fb4dfe648" /> De rechtbank is, gelet op deze toezeggingen van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in de detentie-instelling waar hij na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garanties ten aanzien van de opgeëiste persoon in deze detentie-instellingen immers weggenomen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court Constanţa</emphasis> (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C. Eggink en M. Snijders Blok-Nijensteen,			   		 rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda,		                         		 griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 januari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_af2add1c-0b12-4c49-9e40-eafe687e94ee" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92781d66-785a-4096-ad5e-e876cd115e68" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8417456a-5803-4bfc-896e-fccc14dc16d9" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1fcabf39-812c-439f-8ef7-706c064d101e" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030 en ECLI:EU:C:2023:1031.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_188c0d3e-5d50-4372-a7d4-3118d86190c0" label="5">
    <para> Zie: rechtbank Amsterdam 13 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3917.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f257143-28d3-4270-bd11-7d799fdc8185" label="6">
    <para> HvJ EU 25 juli 2019, C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat)</emphasis>), HvJ EU 17 december 2020, C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)</emphasis>), HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat)</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_63af32c8-7eea-4886-9299-28f095ae6957" label="7">
    <para> HvJ EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57 (<emphasis role="italic">Puig Gordi e.a.</emphasis>), punt 94. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9d92731-c226-4c2e-a908-2e405d34bf13" label="8">
    <para> Zie onder andere: rb Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629; rb Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463 en rb Amsterdam 4 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_020a3db9-c268-4e80-99ab-36bce91f3316" label="9">
    <para> HvJ EU, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa457d36-e41c-4819-a697-f26fb4dfe648" label="10">
    <para> HvJ, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>