<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2581</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-07T16:09:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.319901-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2581">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2581</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-07T14:27:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2581 Rechtbank Amsterdam , 02-05-2024 / 13.319901-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2581:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak, Polen, vervolgings-EAB, verweer mbt Poolse rechtstaat verworpen, onderopend om vragen te stellen met betrekking tot detentieomstandigheden in Polen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2581:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.319901-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 mei 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 6 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_6a9ec808-4796-4d48-a036-d5b893802a39" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 19 oktober 2023 – en aangepast op 8 maart 2024 – door een rechter bij <emphasis role="italic">the Regional Court in Kraków, III Criminal Division</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [BRP-adres] ,</para>
      <para>gedetineerd in de [P.I.] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 april 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_ea62f46e-a3c8-494a-9e6d-fb54e4b0ea62" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">enforceable decision of the District Court for Kraków-Śródomieście in Kraków, II Criminal Division on pre-trial detention in preparatory proceedings</emphasis> van 31 augustus 2023, met kenmerk II Kp 1237/23/S.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_eeb132a8-49cb-4af4-88af-7b83bad99af9" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden, omdat de verdenkingen niet genoegzaam omschreven zijn. In het bijzonder ten aanzien van de verdenking zoals beschreven onder E sub I is onvoldoende onderbouwd op grond van welk bewijs de Poolse autoriteiten tot de verdenking zijn gekomen. Subsidiair dienen aanvullende vragen gesteld te worden aan de Poolse autoriteiten om hier helderheid over te verschaffen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB genoegzaam is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens bevat op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder is het voor de rechtbank duidelijk dat het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Het EAB bevat een beschrijving van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van de datum, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving waarborgt ook de naleving van het specialiteitsbeginsel. De rechtbank merkt daarbij op dat het bewijs niet behoeft te worden overgelegd in deze procedure. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1 en 2 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Deelneming aan een criminele organisatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 3 levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 4 levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 5 levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Feit 6 levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Onschuldverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon in de pleegperiode van het feitencomplex genoemd in het EAB onder E sub I in voorlopige hechtenis zat, waardoor zijn onschuld ondubbelzinnig vaststaat.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onschuldbewering onvoldoende is onderbouwd, en er geen sprake is van het ondubbelzinnig hebben aangetoond van de onschuld van de opgeëiste persoon. Het is een kwestie voor de Poolse strafrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten maar hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond. Overigens maakt het enkele feit dat de opgeëiste persoon gedurende (een deel van) de pleegperiode van de verdenking onder E sub I in voorlopige hechtenis heeft gezeten nog niet dat zijn onschuld daarmee ondubbelzinnig is aangetoond. Het feit dat hij de hele pleegperiode vast zat is onvoldoende onderbouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering.<footnote-ref linkend="_f58f6f31-5b1d-4b83-9b9f-9c330c9235e8" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.<footnote-ref linkend="_cf31e465-7f18-4cc4-8ae3-36a1370fd597" /><?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Naast Nederland zouden ook Spanje, Noorwegen en Duitsland rechtsmacht hebben aangezien de verdenkingen zich ook deels daar hebben afgespeeld. Het is daarbij onduidelijk welke specifieke handelingen zich op Pools grondgebied zouden hebben plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Subsidiair dienen aanvullende vragen gesteld te worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond. Hij voert hiertoe het volgende aan:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Polen heeft verzocht om de overlevering van de opgeëiste persoon voor deze feiten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het onderzoek is in Polen aangevangen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Nederland is niet voornemens om de vervolging in te stellen;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat sprake is van een situatie waarin de verweten gedragingen geheel buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat zouden zijn gepleegd.<footnote-ref linkend="_b8f67f44-49da-4415-9500-050371c84295" /> De vraag of andere landen rechtsmacht kunnen uitoefenen, valt daarom buiten het toetsingskader van de Overleveringswet..</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Verder is de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond om te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van de door de officier van justitie aangedragen argumenten, vormt het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen, of om aanvullende vragen te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">7.  	Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_5a45eca8-8729-43f9-9535-8f046a5e61f0" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het specifieke geval van de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld dan wel in ieder geval doen vermoeden dat de bekende gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed zullen hebben op de strafzaak van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten eerste is de ‘<emphasis role="italic">prosecutor’</emphasis> Tomasz Dudek, die de zaak jegens de opgeëiste persoon heeft aangevangen in Polen, controversieel en worden zijn eerlijkheid en onafhankelijkheid in twijfel getrokken. Hiertoe heeft de raadsman meerdere stukken overgelegd, waaronder een verklaring van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten tweede is de rechter Agnieszka Katarzyna, die met de zaak van de opgeëiste persoon belast is, een NEO-KRS rechter. Zij is verbonden aan de controversiële Neo-nationale raad. Hiertoe is een stuk overgelegd dat samengesteld is door de familie van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte zijn de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd – in het bijzonder ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie – vanwege hun aard en karakter bij uitstek feiten waarbij de kans op een oneerlijk proces toeneemt vanwege de vele verdachten en gecompliceerde verdenkingen. Dit zorgt voor veel druk op justitie om tot een veroordeling te komen. Dit lijkt zich zelfs al te hebben verwezenlijkt tijdens de periode van 2 jaar en 8 maanden voorlopige hechtenis waaraan de opgeëiste persoon werd onderworpen, waarbij hij meermaals onder druk werd gezet om te bekennen en waarna nieuw bewijs is gefabriceerd om hem opnieuw aan te houden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond hiervan dient de overlevering geweigerd te worden. Anders dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om nadere informatie te verkrijgen over de misstanden van justitie in Polen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het standpunt van de verdediging onvoldoende is onderbouwd. De overgelegde stukken zijn afkomstig van de Poolse advocaat en familieleden van de opgeëiste persoon, en kunnen dus gekleurd zijn. Er zijn geen objectieve gegevens geleverd op basis waarvan een gevaar kan worden aangenomen dat er een oneerlijk proces zal komen. Ook is er onvoldoende aanleiding om aanvullende vragen te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_5ee668f8-7548-4c64-a504-fb2557c11a04" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.<footnote-ref linkend="_1e7e0879-b7ed-4a58-8853-40657ca5f8b2" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4.2 van de tussenuitspraak die deze rechtbank op 5 april 2024 heeft gewezen<footnote-ref linkend="_f5e72697-3ed6-4c66-bb8b-4b31ef9f91e5" />; ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunten van de verdediging en de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 11 OLW omdat overlevering een schending van één of meer grondrechten zou opleveren. Hij verwijst hierbij naar het CPT-rapport van 22 februari 2024, dat zorgen uit ten aanzien van de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien niet geweigerd wordt op grond van artikel 11 OLW, dienen er aanvullende vragen gesteld te worden zoals de rechtbank dat eerder heeft gedaan in de tussenuitspraak van 5 april 2024.<footnote-ref linkend="_154a5237-d9d5-48d2-9a60-8b1da8fdd6c9" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De reeds gestelde vragen dienen aangevuld te worden met verzoeken om informatie met betrekking tot de volgende elementen:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>een garantie ten aanzien van de duur van de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon, de datum van de inhoudelijke procedure, de mogelijke strafeis en de uiteindelijke straf bij een bewezenverklaring;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een garantie ten aanzien van de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden in het geval de overlevering toegestaan wordt, in welk detentie-regime hij dan geplaatst zal worden, en op welke wijze gegarandeerd wordt dat hij niet onderworpen wordt aan onmenselijke of vernederende behandeling;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de eventuele gevolgen van de oorlogssituatie tussen Oekraïne en Rusland op gedetineerden, mocht de oorlog zich naar Polen verplaatsen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er aanvullende vragen gesteld dienen te worden ten aanzien van de detentieomstandigheden voor voorlopig gedetineerden in Polen, gelet op de eerdere uitspraken van 5 en 9 april 2024 van de rechtbank waarin hetzelfde gedaan is.<footnote-ref linkend="_d04f3725-66a5-4935-ae32-995000eddb73" />De raadsman heeft niet voldoende onderbouwd dat de voorgestelde aanvullende vragen toegevoegd dienen te worden aan de reeds gestelde vragen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beoordeling door de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente uitspraken zijn aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.<footnote-ref linkend="_0aa4085f-b7a7-40b8-ab44-38e144b262a8" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de bevindingen uit het CPT-rapport, en de recente tussenuitspraak ziet de rechtbank ook in onderhavige zaak aanleiding om aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon zich zal bevinden na een eventuele overlevering.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De zorgen van het CPT zien in hoofdlijnen op vier punten, namelijk: de medische zorg, het contact met de advocaat, 23 uur per dag op cel zitten, en het contact met de buitenwereld. Deze zijn eerder toegelicht, waarbij door de rechtbank in de eerder genoemde recente tussenuitspraak ook besloten is om geen aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de medische zorg en de toegang tot de advocaat.<footnote-ref linkend="_df1daeaa-216e-4f85-899c-2ac8fa77be00" /> De raadsman heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat er extra vragen moeten worden gesteld, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet om extra vragen te stellen in deze zaak. De rechtbank zal dan ook soortgelijke vragen stellen als in de recente tussenuitspraak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de Poolse autoriteiten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Geldt ten aanzien van de <emphasis role="italic">out-of-cell</emphasis> activiteiten die worden genoemd in de reactie van de Poolse autoriteiten van 22 februari 2024 dat die allemaal beschikbaar zijn voor voorlopig gedetineerden? Zo niet, welke <emphasis role="italic">out-of-cell</emphasis> activiteiten zijn wél beschikbaar voor voorlopig gedetineerden?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Mogen alle voorlopig gedetineerden deelnemen aan deze activiteiten, behoudens de situatie dat een beslissing tot (contact)beperking is opgelegd?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Als het zo is dat voorlopig gedetineerden gebruik kunnen maken van de aangeboden activiteiten of anderszins buiten de cel mogen verblijven (bijvoorbeeld in een gemeenschappelijke ruimte), hoeveel uur per dag kunnen zij buiten hun cel doorbrengen?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Maakt het voor de beantwoording van de bovenstaande vragen uit in welk huis van bewaring de voorlopig gedetineerde is geplaatst? Zo ja, kunt u uitleggen hoe dit per huis van bewaring verschilt?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Kunt u omschrijven welke procedure door een voorlopig gedetineerde moet worden gevolgd om toestemming te vragen voor het ontvangen van bezoek dan wel telefonisch contact met een ander dan de advocaat?</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>o Hoe lang duurt het voordat daar een beslissing op is genomen?</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Is de bevinding van het CPT, dat dit er voor voorlopig gedetineerden in de praktijk toe leidt dat zij slechts één keer per maand bezoek kunnen ontvangen voor maximaal 1 uur, nog steeds actueel? Zo ja, geldt dit alleen voor de bezochte <emphasis role="italic">remand prison</emphasis> of geldt dit ook voor andere huizen van bewaring?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>In welk huis van bewaring zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst?<footnote-ref linkend="_13c14943-2c3f-480a-b885-307df6a4c141" /></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>- Hoeveel persoonlijke ruimte (in een meerpersoonscel) staat haar daar ter beschikking, waarbij de ruimte die in beslag wordt genomen door de sanitaire infrastructuur niet mag worden meegenomen?<footnote-ref linkend="_180ea476-4cf2-4c1e-9e23-9acb443d636a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek voor onbepaalde tijd – met dien verstande dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor 2 juli 2024 (het verstrijken van de beslistermijn) weer op zitting moet worden aangebracht – teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 8.2 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissing;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 30 dagen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.P.W. Helmonds,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Vaandrager en M. Westerman,                         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.E. Poel,					                              griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6a9ec808-4796-4d48-a036-d5b893802a39" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea62f46e-a3c8-494a-9e6d-fb54e4b0ea62" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_eeb132a8-49cb-4af4-88af-7b83bad99af9" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f58f6f31-5b1d-4b83-9b9f-9c330c9235e8" label="4">
    <para> Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf31e465-7f18-4cc4-8ae3-36a1370fd597" label="5">
    <para> Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8f67f44-49da-4415-9500-050371c84295" label="6">
    <para>Zie artikel 13 aanhef onder b. Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a45eca8-8729-43f9-9535-8f046a5e61f0" label="7">
    <para>Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ee668f8-7548-4c64-a504-fb2557c11a04" label="8">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e7e0879-b7ed-4a58-8853-40657ca5f8b2" label="9">
    <para>Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5e72697-3ed6-4c66-bb8b-4b31ef9f91e5" label="10">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_154a5237-d9d5-48d2-9a60-8b1da8fdd6c9" label="11">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d04f3725-66a5-4935-ae32-995000eddb73" label="12">
    <para>Zie Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982; Rechtbank Amsterdam, 9 april 2024, nog niet gepubliceerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0aa4085f-b7a7-40b8-ab44-38e144b262a8" label="13">
    <para>Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-261/22 (G.N.), ECLI:EU:C:2023:1017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df1daeaa-216e-4f85-899c-2ac8fa77be00" label="14">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_13c14943-2c3f-480a-b885-307df6a4c141" label="15">
    <para>Vergelijk HvJ EU, 25 juli 2018, C-220/18 (ML), ECLI:EU:C:2018:589.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_180ea476-4cf2-4c1e-9e23-9acb443d636a" label="16">
    <para>HvJ EU, 15 oktober 2019, C-128/18 (Dorobantu), ECLI:EU:C:2019:857.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>