<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:2472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-07T12:04:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/060020-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2472">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-07T09:45:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:2472 Rechtbank Amsterdam , 18-04-2024 / 13/060020-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2472:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie EAB Polen, o.p. Poolse nationaliteit, verzamelvonnis, bij alle procedures in persoon verschenen, weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing, verweer lijstfeit verworpen, overige feiten dubbel strafbaar, artikel 11 OLW staat niet aan overlevering in de weg, overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:2472:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/060020-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 april 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 22 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_07f83251-237e-41ff-a231-dd2938eed2aa" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2024 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Rybnik, Third Criminal Division, </emphasis>Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>nu gedetineerd in [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 april 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Wodzisław Śląski </emphasis>(Polen) van 26 september 2018, referentie: II K 472/18 (hierna: het verzamelvonnis). Aan dit verzamelvonnis liggen de volgende vonnissen ten grondslag:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Wodzisław Śląski </emphasis>(Polen) van 19 oktober 2017, referentie II K 402/17;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Wodzisław Śląski </emphasis>(Polen) van 22 maart 2018, referentie II K 613/17;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Wodzisław Śląski </emphasis>(Polen) van 1 maart 2018, referentie II K 452/17.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 11 maart 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon ook in persoon aanwezig is geweest bij de procedures die tot de drie onderliggende vonnissen hebben geleid (II K 402/17, II K 613/17 en II K 452/17). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaar, 3 maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_55d12ac0-d6b7-4e68-bb39-0dc390ec6cd9" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de procedure die tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op 21 juni 2021 heeft geleid en hij ook geen advocaat had die daarbij aanwezig was. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon in de procedure omtrent het verzamelvonnis en de daaraan ten grondslag liggende vonnissen geen rechtsbijstand van een advocaat gehad. Ook is er geen onvoorwaardelijke garantie gegeven dat de opgeëiste persoon na overlevering een nieuw proces krijgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de procedures die tot het verzamelvonnis en de onderliggende vonnissen hebben geleid. Dat hij in die procedures niet is bijgestaan door een advocaat, is dan niet relevant. Ook een garantie voor een nieuwe beoordeling van zijn zaak is in dat geval niet vereist. </para>
        <para>De beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 21 juni 2021 valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat de reden voor deze herroeping niet is gelegen in een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, maar in het niet naleven van de aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden bijzondere voorwaarden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat uit het EAB en de aanvullende informatie van 5 maart en 11 maart 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon, na de tenuitvoerlegging van een deel van de bij het verzamelvonnis opgelegde vrijheidsstraf, voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Deze voorwaardelijke invrijheidsstelling is op 21 juni 2021 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Rybnik</emphasis> (V Kow 1179/21) herroepen, omdat de opgeëiste persoon zich aan het toezicht van de reclassering had onttrokken en daarmee de aan zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden  voorwaarden had overtreden. Aan de herroeping ligt niet het plegen van een nieuw strafbaar feit ten grondslag.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 21 juni 2021 valt dan ook niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan het verzamelvonnis waarbij de vrijheidsstraf oorspronkelijk is opgelegd en de daaraan ten grondslag liggende vonnissen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zoals al onder overweging 3 is vastgesteld, blijkt uit het EAB en de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon bij al deze procedures in persoon is verschenen. Daarom is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing. Dat de opgeëiste persoon in die procedures niet is bijgestaan door een advocaat, maakt niet dat hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Bovendien heeft de opgeëiste persoon op de zitting verklaard dat hem bij zijn aanhouding in de strafzaken is aangeboden om een advocaat te raadplegen, maar dat hij daarvan toen geen gebruik heeft gemaakt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit zoals omschreven onder feit 4 van II K 613/17 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de	bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het door de uitvaardigende justitiële autoriteit aangekruiste lijstfeit, gelet op de omschrijving van het feit, onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit in redelijkheid heeft aangekruist, omdat de omschrijving van het feit naar Pools recht kan worden gekwalificeerd als oplichting en deze kwalificatie niet evident tegenstrijdig is met het op de lijst aangekruiste feit. Bovendien is het feit ook strafbaar naar Nederlands recht en staat artikel 7 OLW niet aan overlevering in de weg.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.<footnote-ref linkend="_29824424-f812-4274-9867-f49421848696" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op basis van wat de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken, mede gelet op de omschrijving van het feit in het EAB en (de tekst van) de daarbij vermelde Poolse strafbaarstellingsartikel. Feit 4 waarvoor de overlevering wordt verzocht, valt om die reden onder het hiervoor vermelde lijstfeit.   </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van II K 402/17 en II K 613/17, feit 1:</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van II K 613/17, feit 2:</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">diefstal, meermalen gepleegd en poging tot diefstal.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van II K 613/17, feit 3 en II K 452/17: </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">telkens: diefstal. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van II K 613/17, feit 5: </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bedreiging met brandstichting.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">5. 	 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_ac655904-417e-42c9-9eac-65eaeb7bb3c7" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in de verschillende procedures niet is bijgestaan door een raadsman en dat daarmee zijn recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest is geschonden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank levert de enkele afwezigheid van een advocaat geen schending van het recht op een eerlijk proces op. De stelling dat de Poolse autoriteiten de opgeëiste persoon zijn recht op rechtsbijstand zouden hebben onthouden, is niet onderbouwd en blijkt ook overigens nergens uit. Blijkens zijn eigen verklaring op de zitting is de opgeëiste persoon bij zijn aanhouding gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen, maar heeft hij daarvan geen gebruik gemaakt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de raadsman geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – de hiervoor benoemde structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.<footnote-ref linkend="_1a3f3674-ee43-4b51-8dea-322abcdb5ad9" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45, 285, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Rybnik, Third Criminal Division </emphasis>(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.K. Glerum en E. Biҫer,                         				  	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden en A. Gabriëlse,                     	griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 april 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_07f83251-237e-41ff-a231-dd2938eed2aa" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_55d12ac0-d6b7-4e68-bb39-0dc390ec6cd9" label="2">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_29824424-f812-4274-9867-f49421848696" label="3">
    <para> Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ac655904-417e-42c9-9eac-65eaeb7bb3c7" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a3f3674-ee43-4b51-8dea-322abcdb5ad9" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>