<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:1884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-02T16:18:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/010309-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1884">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-02T15:49:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:1884 Rechtbank Amsterdam , 14-03-2024 / 13/010309-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1884:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools executie-EAB. Artikel 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg. De rechtbank weigert de overlevering op grond van artikel 6a OLW (gelijkstelling met een Nederlander).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1884:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/010309-24 (EX-EAB)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 14 maart 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 11 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_639b6fcf-fe19-4a2d-9706-d099231ad7e4" /> Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juli 2015 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań </emphasis>(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:</para>
      <para>
        [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 februari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.C.P. Lefevere, advocaat in Helmond, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_5913e437-2c81-4cb7-82a0-9986e697ee7f" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">judgement of the District Court in Głogów </emphasis>van 4 maart 2010 met referentie <emphasis role="italic">II K 117/10</emphasis>. Bij dit vonnis is aan de opgeëiste persoon een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar opgelegd met een proeftijd van vijf jaar. Met een beslissing van 7 november 2012 (referentie <emphasis role="italic">II Ko 428/12</emphasis>) is deze voorwaardelijke straf tenuitvoergelegd door <emphasis role="italic">the District Court in Rawicz</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_3def7b0a-26d9-4c66-a110-e7f6a7fb4b08" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de omzetting van de voorwaardelijke gevangenisstraf in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Voor het vonnis met referentie <emphasis role="italic">II K 117/10 </emphasis>geldt dat de opgeëiste persoon voor de procedure die tot het vonnis heeft geleid in persoon is opgeroepen op 27 januari 2010. De opgeëiste persoon is er daarbij op gewezen dat een beslissing genomen kon worden wanneer hij niet op het proces zou verschijnen. Daarmee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW en doet de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bij het vonnis met referentie <emphasis role="italic">II K 117/10 </emphasis>opgelegde vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van <emphasis role="italic">the District Court in Rawicz </emphasis>van 7 november 2012 met referentie <emphasis role="italic">II Ko 428/12</emphasis> is de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_2ac0bd44-5258-44bb-a217-cf380d80a069" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 februari 2024 volgt dat dit een veroordeling betreft van 27 juli 2012 van <emphasis role="italic">the District Court in Leszno</emphasis> met referentie <emphasis role="italic">II K 369/12</emphasis>. De rechtbank stelt vast dat dit een vonnis betreft waarbij de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot dat vonnis heeft geleid, en dat het vonnis - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de eerdergenoemde aanvullende informatie van 23 februari 2024 volgt dat de opgeëiste persoon in de procedure <emphasis role="italic">II K 369/12</emphasis> een overeenkomst heeft gesloten met de officier van justitie ten aanzien van de op te leggen straf. De oproep voor de zitting om deze overeenkomst te bespreken heeft de opgeëiste persoon persoonlijk in ontvangst genomen op 28 mei 2012, waarbij hij voor ontvangst heeft getekend. De oproep voor een tweede zitting werd eveneens per post verstuurd en is in ontvangst genomen door de vrouw van de opgeëiste persoon op 22 juni 2012. Uit het voorgaande volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces, een procesafspraak had gemaakt met de officier van justitie en dat de oproep voor de eerste zitting ook in persoon aan hem betekend is. Het komt voor rekening van de opgeëiste persoon dat hij zich vervolgens kennelijk niet meer op de hoogte heeft gehouden van het verloop van de procedure. Dit had wel op zijn weg gelegen, zeker na het sluiten van een overeenkomst met de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing tot tenuitvoerlegging van 7 november 2012 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_7e74ef63-ca77-464a-95c5-6ffff1990591" /> Het verweer van de raadsman kan alleen daarom al niet slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Concluderend staat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">t.a.v. feit I</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">t.a.v. feit II </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, meermalen gepleegd</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk een graf schenden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten van de raadsman en de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat de overlevering geweigerd kan worden onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging door Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para />
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eerste voorwaarde </emphasis>
      </para>
      <para>Uit een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van 31 januari 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 7 september 2022 is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Het oorspronkelijk verblijfsrecht gaat terug tot 17 november 2014. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
      <para>De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de eerdergenoemde brief van de IND van 31 januari 2024 volgt dat niet de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen als gevolg van de feiten waarvoor hij in Polen veroordeeld is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook aan deze voorwaarde is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. </para>
      <para>Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende (in ieder geval) economische en familiale banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Is er sprake van verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn?</emphasis>
      </para>
      <para>Er is op dit punt geen standpunt ingenomen door partijen, de rechtbank is echter ook ambtshalve gehouden de verjaring te toetsen wanneer sprake is van rechtsmacht naar Nederlands recht.</para>
      <para>Ingevolge artikel 9, eerste lid onder f van de OLW kan overlevering eveneens geweigerd worden als het gaat om feiten waar Nederland rechtsmacht over uit kon oefenen en waarvan de tenuitvoerleggingstermijn verstreken is. Nu is vastgesteld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander is er ook rechtsmacht naar Nederlands recht.<footnote-ref linkend="_aec21daa-1aed-41af-ae67-e173db2ece72" /> Van verjaring is echter geen sprake. Bij de onder 4 genoemde kwalificaties naar Nederlands recht horen straffen van respectievelijk zes en vier jaren.<footnote-ref linkend="_857d508e-f6cd-47f4-bd24-c1e05e923e69" /> Het recht tot strafvordering vervalt in twaalf jaren voor de misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren, maar minder dan acht jaren is gesteld.<footnote-ref linkend="_1c33f195-72d4-442c-98b7-f7679fa50391" /> De tenuitvoerleggingstermijn is een derde langer dan de termijn van de verjaring van het recht tot strafvervolging.<footnote-ref linkend="_887d84d8-f722-4ea5-b82e-fdb785b23f9e" /> Dat maakt dat de verjaringstermijn in het onderhavige geval voor wat betreft zowel feit I als feit II zestien jaar is. Beide feiten zijn gepleegd in juli 2009. Dat maakt dat verjaring naar Nederlands recht pas intreedt in juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht is geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 149, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań </emphasis>(Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de overleveringsdetentie van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  				                         	 		    voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Wiewel en M. Westerman,                         					       rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie,		                          		         griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 maart 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_639b6fcf-fe19-4a2d-9706-d099231ad7e4" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5913e437-2c81-4cb7-82a0-9986e697ee7f" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3def7b0a-26d9-4c66-a110-e7f6a7fb4b08" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2ac0bd44-5258-44bb-a217-cf380d80a069" label="4">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e74ef63-ca77-464a-95c5-6ffff1990591" label="5">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aec21daa-1aed-41af-ae67-e173db2ece72" label="6">
    <para> Artikel 7 lid 3 Wetboek van Strafrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_857d508e-f6cd-47f4-bd24-c1e05e923e69" label="7">
    <para> Ten aanzien van feit II wordt hierbij uitgegaan van de kwalificatie ‘diefstal’. Dit is tevens de kwalificatie met de hoogste strafdreiging. Uit het EAB blijkt immers dat er ook goederen bij het graf zijn weggenomen. De enkele kwalificatie ‘opzettelijk een graf schenden’ dekt in dat geval niet de lading.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c33f195-72d4-442c-98b7-f7679fa50391" label="8">
    <para> Artikel 70, eerste lid onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_887d84d8-f722-4ea5-b82e-fdb785b23f9e" label="9">
    <para> Artikel 6:1:22, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>