<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:15</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-12T15:53:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.293123-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:15">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:15</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-09T15:30:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:15 Rechtbank Amsterdam , 03-01-2024 / 13.293123-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:15:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. EAB Polen. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon kennis heeft kunnen nemen van de in artikel 23, derde lid, OLW, genoemde stukken. Geen indicaties dat een nadere betekening zou kunnen slagen, aldus dat de opgeëiste persoon alsnog kennis zal kunnen nemen van deze stukken. De rechtbank concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:15:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.293123-23 (was: 13.751544-19) (EAB II)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 20 december 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 28 juni 2019 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_7dd29a72-092a-4a16-966f-e0efc8de6193" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 4 april 2019 door de Regionale Rechtbank in Bydgoszcz III, strafafdeling, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,</para>
      <para>	laatst opgegeven verblijfplaats in Nederland: </para>
      <para>	[adres opgeëiste persoon] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 december 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. O. Bolluyt, advocaat in Almere is wel verschenen. Hij heeft meegedeeld dat hij niet gemachtigd is, dat hij geen contact meer met zijn cliënt heeft, dat hij niet het idee heeft dat zijn cliënt op een volgende zitting wel zal verschijnen en dat hij niet weet of zijn cliënt nog in Nederland is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken.<footnote-ref linkend="_421b537e-915d-4aa6-a1d3-fb4ae93dc278" /> Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor overleveringsdetentie.<footnote-ref linkend="_ef07ffcb-c906-4a59-9fd6-80c57d178c31" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ontvankelijkheid van de officier van justitie </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank constateert dat het in oktober 2019 de bedoeling is geweest om de vordering van de officier van justitie (van 28 juni 2019) te behandelen, maar dat de zaak toen van zitting is gehaald in verband met de gang van zaken in de procedure van EAB I (parketnummer: 13/292977-23, was: 13/751633-18), waarin het onderzoek geschorst was om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de onafhankelijkheid van <emphasis role="italic">the Regional Court in Bydgoszcz</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon is in onderhavige procedure niet aangehouden of gehoord. Pas op 5 december 2023 heeft een zogenaamde OM-betekening plaatsgevonden van de oproeping voor de zitting van 6 december 2023. Op het laatstelijk opgegeven verblijfadres in Nederland bleek de opgeëiste persoon niet (meer) woonachtig te zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 23, derde lid, OLW volgt onder meer dat niet alleen de oproeping voor de zitting aan de opgeëiste persoon moet worden betekend: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een afschrift van de krachtens het tweede lid vereiste vordering, met als bijlage een kopie van het Europees aanhoudingsbevel, de bijbehorende vertaling en, in voorkomend geval, de aanvullende informatie wordt aan de opgeëiste persoon betekend.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de vordering van de officier van justitie van 28 juni 2019 (onderaan) wordt hiervan melding gemaakt, maar uit het dossier volgt niet dat de vordering en de overige hiervoor genoemde stukken – in 2019 noch in 2023 – zijn betekend. Ook is niet gebleken dat deze stukken de opgeëiste persoon op andere wijze hebben bereikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat niet kan worden aangevangen met een inhoudelijke behandeling, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon kennis heeft kunnen nemen van de in artikel 23, derde lid, OLW, genoemde stukken. Uit het dossier volgt voorts dat de officier van justitie ten behoeve van de zitting op 6 december 2023 op meerdere adressen in Nederland geprobeerd heeft de oproeping te betekenen. Op het laatst opgegeven verblijfadres was de opgeëiste persoon niet (meer) woonachtig. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard geen idee te hebben waar de opgeëiste persoon (in Nederland) verblijft. Ditzelfde geldt voor de (niet-gemachtigd) raadsman van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden zijn er geen indicaties dat een nadere betekening van de vordering en het EAB – al dan niet via een zogenaamde OM-betekening – in die zin zou kunnen slagen, aldus dat de opgeëiste persoon alsnog kennis zal kunnen nemen van deze stukken en dus van de inhoud van het EAB. De rechtbank concludeert – mede in het licht van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERKLAART </emphasis>de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. P. van Kesteren,  				                         		            voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.W.T. Klappe,                          		  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 december 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_7dd29a72-092a-4a16-966f-e0efc8de6193" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_421b537e-915d-4aa6-a1d3-fb4ae93dc278" label="2">
    <para> Zie artikel 22 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef07ffcb-c906-4a59-9fd6-80c57d178c31" label="3">
    <para> De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>