<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:144</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-15T14:27:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/226993-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:144">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:144</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-15T13:20:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:144 Rechtbank Amsterdam , 04-01-2024 / 13/226993-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:144:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB België; verweer m.b.t. de gelijkstelling verworpen; overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:144:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/226993-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 4 januari 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 27 oktober 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_3ebdb9be-8b6b-461f-add2-59c6e8eb1e6a" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 30 augustus 2023 door de onderzoeksrechter, rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,</para>
      <para>	laatst opgegeven adres:</para>
      <para>	[adres]</para>
      <para>	gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 december 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Stam, advocaat in Amsterdam, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. A.J. Admiraal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_45003e0e-dcbb-4c80-a37c-86720d1521e3" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB, gelezen in samenhang met het A-formulier, vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd op 30 augustus 2023 door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, dossier nr.: 2023/060.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_b14b97bf-6d33-4601-b5dc-70bc98f46c3b" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummers 1 en 28, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	1) deelneming criminele organisatie; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	28) opzettelijke brandstichting.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gelijkstelling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander zodat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland kan ondergaan. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het evident is dat de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld nu hij in Nederland is geboren en getogen, zijn familie hier woont en hij op dit moment een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft. Nu er geen terugkeergarantie ligt, moet de overlevering worden geweigerd. Subsidiair zou de zaak moeten worden aangehouden om de verdediging in de gelegenheid te stellen het verblijf alsnog aan te tonen, om de officier van justitie bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) navraag te laten doen over de gehele tijdlijn van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon, en om de Belgische autoriteiten in de gelegenheid te stellen een terugkeergarantie af te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander. De opgeëiste persoon is in Nederland geboren en getogen en hij heeft vanaf 31 januari 2013 een verblijfsvergunning die eindigt op 30 augustus 2024. Er zijn echter periodes geweest dat hij niet stond ingeschreven en hij heeft ook gedetineerd gezeten wat de rechtmatigheid van zijn verblijf aantast. Daarbij zijn geen stukken overgelegd van de periode vóór 2018 die een ononderbroken rechtmatig verblijf van 5 jaren aantonen. Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de zaak aan te houden om een terugkeergarantie op te vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para />
    <para>2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;</para>
    <para />
    <para>3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eerste voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander en overweegt hiertoe als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon is een zogeheten derdelander en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie. Voor derdelanders geldt dat zij rechtmatig verblijf in Nederland genieten als zij beschikken over een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat de opgeëiste persoon een vergunning voor bepaalde tijd heeft. De rechtbank moet bezien of de opgeëiste persoon, voorafgaand aan haar uitspraak, minimaal vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en gedurende die periode dus over een verblijfsvergunning heeft beschikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens informatie van de IND van 31 oktober 2023 eindigt de geldigheidsduur van de huidige verblijfsvergunning op 30 augustus 2024 en is deze dus op 30 augustus 2019 ingegaan. Gerekend vanaf de datum van de uitspraak op 4 januari 2024 beslaat dat geen aaneensluitende periode van vijf jaar. Van belang is daarom of de opgeëiste persoon al eerder over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beschikte en de huidige verblijfsvergunning aansluit op die eerdere verblijfsvergunning. Wanneer de verblijfsvergunningen namelijk precies aansluitend zijn, is sprake van  een aaneengesloten periode van vijf jaar rechtmatig verblijf van 4 januari 2019 tot 4 januari 2024. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit voormelde informatie van de IND blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 31 januari 2013 in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, maar dat sprake is van een verblijfsgat van 31 januari 2018 tot 30 augustus 2019. In die laatste periode had de opgeëiste persoon dus geen rechtmatig verblijf. De eerdere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd sluit dus niet aan op de huidige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Daarom is, teruggerekend vanaf de datum van de uitspraak, geen sprake van een aaneengesloten periode van vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland. Gelet hierop voldoet de opgeëiste persoon niet aan de eerste voorwaarde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding om de behandeling van het EAB aan te houden voor nadere informatie over de verblijfsstatus van de opgeëiste persoon en voor het opvragen van een terugkeergarantie. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden  <?linebreak?></title>
    <para>Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat op dit moment voor alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.<footnote-ref linkend="_1ff9edbd-1f12-4c52-a152-88fee580be54" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 17 november 2023 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? </title>
    <bridgehead role="italic">
      [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold italic">2.  Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?  </bridgehead>
    <bridgehead role="italic">België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze  die  in  overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het  bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In deze zaak  garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden  waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">-  De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m 2  individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">-  De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m 2  inclusief vast meubilair.  </emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">o  De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	o  Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">-  De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">-  Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. </emphasis>
    </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Sanitaire en hygiëne omstandigheden </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de  kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.<footnote-ref linkend="_430c9500-21c4-450d-9e11-f971f819bcb2" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de onderzoeksrechter, rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,	                                                                    		voorzitter,</para>
      <para>mrs. B. van Galen en H.P. Kijlstra,	                                             		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek,                                         	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 januari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3ebdb9be-8b6b-461f-add2-59c6e8eb1e6a" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45003e0e-dcbb-4c80-a37c-86720d1521e3" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b14b97bf-6d33-4601-b5dc-70bc98f46c3b" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ff9edbd-1f12-4c52-a152-88fee580be54" label="4">
    <para> Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536</para>
  </footnote>
  <footnote id="_430c9500-21c4-450d-9e11-f971f819bcb2" label="5">
    <para> HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>