<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:141</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-14T11:43:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 23/6843</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:141">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:141</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-14T11:42:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:141 Rechtbank Amsterdam , 05-01-2024 / AMS 23/6843</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:141:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omgevingsvergunning supermarkt. Handhavingsverzoek. Geen spoedeisend belang. Geen procesbelang. Geen redelijke kans van slagen van het bezwaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:141:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 23/6843</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 januari 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Buitenveldert Supermarkt B.V. , te Amsterdam, verzoekster,</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. R.J.G. Bäcker en mr. A. Janssens),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder,</para>
      <para>hierna: het college, (gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">- Kroonenberg Groep B.V</emphasis> te Amsterdam, vergunninghoudster,</para>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Kamphuis); </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">- Albert Heijn B.V.</emphasis> en <emphasis role="bold">Ahold Europe Real Estate &amp; Construction B.V</emphasis>., beide te Zaandam, (hierna gezamenlijk: de huurders),</para>
    <para>(gemachtigden: mr. J.C. van Oosten en mr. P. van Lingen).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor - kort gezegd - een verbouwing van het gebouw op de [adres 3] [nummer] te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft op 8 november 2023 tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en verzocht om handhaving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 december 2023 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat het college wordt opgedragen op het handhavingsverzoek te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vergunninghoudster en de huurders hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- namens verzoekster: [naam 5] ( [functie 2] ) en haar gemachtigden,</para>
    <para>- de gemachtigde van het college,</para>
    <para>- namens vergunninghoudster: [naam 3] ( [functie 1] ), [naam 4] en haar gemachtigde,</para>
    <para>- namens de huurders: [naam 6] ( [functie 3] ), [naam 6] ( [functie 4] ) en hun gemachtigden.</para>
    <bridgehead role="bold">Totstandkoming van het bestreden besluit</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verzoekster exploiteert als franchisenemer een Jumbo -supermarkt op het adres [adres 3] [nummer] in Amsterdam. Vergunninghoudster is eigenaar van het pand aan de [adres 3] [nummer] in Amsterdam (het gebouw) en heeft de begane grond verhuurd aan de huurders. De huurders exploiteren daar een Albert Heijn -supermarkt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De bij het bestreden besluit verleende omgevingsvergunning houdt in:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">het vergroten, verduurzamen en veranderen, inclusief een gevelvernieuwing, van het gebouw [adres 3] [nummer] te Amsterdam van een winkelfunctie over meerdere bouwlagen tot een kantoorfunctie (verdiepingen), één winkel in de plint en bijbehorende nevenruimten in de kelder</emphasis>.” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verzoekster heeft naast haar bezwaar het college verzocht handhavend op te treden tegen een dreigende overtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) door vergunninghoudster, omdat volgens verzoekster op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan de beoogde vestiging van de Albert Heijn -supermarkt niet is toegestaan en de verleende omgevingsvergunning ook niet in het beoogde gebruik voorziet. Op 23 november 2023 heeft verzoekster het college verzocht om binnen een week op het handhavingsverzoek te beslissen, omdat de Albert Heijn -supermarkt op<?linebreak?>12 december 2023 de deuren zou openen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 30 november 2023 heeft het college aangegeven dat hij binnen acht weken beslist op het handhavingsverzoek. Gelet daarop en omdat de termijn die verzoekster heeft gesteld in haar brief van 23 november 2023 is verstreken, heeft verzoekster op <?linebreak?>5 december 2023 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op haar handhavingsverzoek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Met haar verzoek om een voorlopige voorziening wil verzoekster voorkomen dat de Albert Heijn -supermarkt open gaat op 12 december 2023 voordat het college op haar bezwaarschrift en handhavingsverzoek heeft beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesbelang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_f16c87de-05d8-48fe-8e5d-406724e4bf48" /> is er pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Voor een verzoekschrift waarbij om een voorlopige voorziening wordt gevraagd, geldt hetzelfde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Verzoekster wil met haar verzoek voorkomen dat de Albert Heijn -supermarkt de deuren opent op 12 december 2023. Aan dat verzoek kan niet (meer) worden voldaan, omdat deze supermarkt ten tijde van de beoordeling van het verzoek al is geopend. Verzoekster kan dit resultaat dus met haar verzoek niet bereiken. Zij heeft daarom in zoverre geen procesbelang bij haar verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Daarnaast wil verzoekster met haar verzoek bereiken dat het college wordt opgedragen op haar handhavingsverzoek te beslissen. Ook dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen procesbelang op, omdat de gemachtigde van het college op de zitting heeft toegezegd dat het college binnen een week een besluit neemt op het handhavingsverzoek. De voorzieningenrechter houdt de gemachtigde van het college aan deze toezegging en gaat ervan uit dat ten tijde van het uitgaan van deze uitspraak inmiddels op het handhavingsverzoek is beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande kan verzoekster met haar verzoek om een voorlopige voorziening geen resultaat bereiken dat voor haar van feitelijke betekenis is. Zij heeft daarom geen procesbelang bij de door haar gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek reeds om die reden niet-ontvankelijk verklaren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Spoedeisend belang</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Hoewel het verzoek niet-ontvankelijk is bij gebrek aan procesbelang, heeft de voorzieningenrechter ook beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. Volgens verzoekster is daarvan sprake, omdat zij onevenredige concurrentie zal ervaren van een Albert Heijn -supermarkt in hetzelfde prijssegment die zich op minder dan 200 meter van haar Jumbo -supermarkt bevindt. Op de zitting heeft zij daaraan toegevoegd dat de Albert Heijn -supermarkt op dat moment een kleine week open was, hetgeen bij verzoekster tot een omzetverlies van ongeveer 25% heeft geleid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter stelt vast dat het belang waar verzoekster op doelt een financieel belang is. Een financieel belang levert op zichzelf niet altijd een spoedeisend belang op. In dat geval is er alleen sprake van een spoedeisend belang als een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan, zoals een faillissement of een acute financiële noodsituatie.<footnote-ref linkend="_e41eb07e-0d20-472e-a21c-f3a034b24797" /> Mogelijk zal verzoekster financieel nadeel lijden door de komst van de Albert Heijn -supermarkt, maar op zichzelf brengt dat geen spoedeisend belang mee. Niet is onderbouwd hoe groot dat nadeel zal zijn en of dat zal leiden tot een acute, financiële noodsituatie. Nu niet is gebleken dat een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan, is er geen sprake van een spoedeisend belang bij het verzoek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bezwaar</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Overigens zou het verzoek ook zijn afgewezen bij een voorlopige beoordeling van het bezwaar. Voor toewijzing van het verzoek is van belang dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Naar verwachting van de voorzieningenrechter zal het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het bestreden besluit is van 14 januari 2022. Het bezwaar is op 8 november 2023 door het college ontvangen. Dat is niet binnen een termijn van zes weken nadat de omgevingsvergunning bekend is gemaakt.<footnote-ref linkend="_de400938-1984-4504-a20c-67517dcc4cb1" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft verzoekster gevraagd naar de reden waarom zij haar bezwaar te laat heeft ingediend. Verzoekster heeft aangegeven dat zij pas op<?linebreak?>8 november 2023 bekend werd met het gegeven dat er een grote supermarkt in het gebouw werd gevestigd. Zij ging er eerder van uit dat er een kleine supermarkt (bijvoorbeeld een AH To Go van maximaal 300 m²) zou worden gerealiseerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Niet ter discussie staat dat de omgevingsvergunning van 14 januari 2022 op de juiste wijze bekend is gemaakt aan vergunninghoudster. Het college heeft deze omgevingsvergunning op 19 januari 2022 gepubliceerd in het Gemeenteblad. Verder zijn er ten behoeve van de Albert Heijn -supermarkt in ieder geval nog twee omgevingsvergunningen verleend die ook in het Gemeenteblad zijn gepubliceerd, te weten een omgevingsvergunning van 24 april 2023 met publicatiedatum 28 april 2023 en een omgevingsvergunning van 14 juli 2023 met publicatiedatum 19 juli 2023. Gelet op deze publicaties waren er voor verzoekster meerdere signalen waaruit zij had kunnen en moeten opmaken dat op de locatie een supermarkt werd gevestigd. Vervolgens lag het op haar weg om onderzoek te doen naar de specificaties van deze supermarkt. Dat zij dat heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er daarom geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het te laat indienen van haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 14 januari 2022. De gemachtigde van het college heeft op de zitting overigens ook aangekondigd dat het bezwaar van verzoekster om deze reden waarschijnlijk niet-ontvankelijk wordt verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Zoals hiervoor in overwegingen 3.1. en verder is overwogen, heeft verzoekster geen procesbelang bij haar verzoek. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren. Bij deze uitkomst bestaat voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening <?linebreak?>niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op <?linebreak?>5 januari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</bridgehead>
  <footnote id="_f16c87de-05d8-48fe-8e5d-406724e4bf48" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:186.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e41eb07e-0d20-472e-a21c-f3a034b24797" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:724.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de400938-1984-4504-a20c-67517dcc4cb1" label="3">
    <para> Zie artikel 6:7 in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>