<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:1157</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-16T16:30:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 22/5704</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1157">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1157</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-16T16:29:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:1157 Rechtbank Amsterdam , 04-03-2024 / AMS 22/5704</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1157:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet-ontvankelijk. Met de premature ingebrekestelling is niet voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft eiser meermaals in de gelegenheid gesteld om beroepsgronden in te dienen tegen het alsnog genomen besluit. Dit heeft eiser nagelaten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1157:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 22/5704</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Houten, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.C. van den Aarsen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, </emphasis>verweerder (hierna: de heffingsambtenaar.</para>
      <para>( [heffingsambtenaar] ).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op 11 april 2019 een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 9 december 2019 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar van 9 december 2019 vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser<footnote-ref linkend="_9b77185a-6cc9-4ae2-9e96-aa67a68de4a9" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 september 2022 heeft eiser een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar gestuurd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 25 november 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door de heffingsambtenaar.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de uitspraak op bezwaar van 2 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2024. Partijen zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen<footnote-ref linkend="_0cf11c33-283d-412f-8c81-4e46be121149" />. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat aan deze procedure voorafging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De naheffingsaanslag is aan eiser opgelegd, omdat de auto met kenteken [kenteken] op 8 april 2019 om 15:37 uur volgens de heffingsambtenaar ter hoogte van [adres] te Amsterdam geparkeerd stond en bij controle is gebleken dat daarvoor geen parkeerbelasting was betaald. </para>
    <para />
    <para>2. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 9 december 2019 het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift geen bezwaargronden bevat. Met de uitspraak van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard en de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser. Eiser heeft op 22 september 2022 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. Op 25 november 2022 is eiser in beroep gegaan vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beroep tegen niet tijdig beslissen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_e83a0d01-7776-490b-a246-451470cd1d62" /> Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_a1030c61-68fc-4638-9e3e-15182f6de320" /></para>
    <para>4. <?linebreak?>Eiser stelt dat hij de heffingsambtenaar veelvuldig in de gelegenheid heeft gesteld om over te gaan op besluitvorming, maar hij tot op heden in gebreke blijft tijdig een besluit te nemen op het bezwaar. </para>
    <para />
    <para>5. Met de uitspraak van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar van 9 december 2019 vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Deze termijn gaat in dit soort belastingzaken lopen na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep kan worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_bd47d8f1-b160-42b8-8f9a-b4b0b898c9c1" /> Dat volgt uit artikel 8:106, eerste lid, onder b, van de Awb. Dat betekent dat de door de rechtbank in zijn uitspraak gestelde termijn waarbinnen de heffingsambtenaar een nieuw besluit moest nemen pas zes weken na 10 augustus 2022 is aangevangen, dus op <?linebreak?>22 september 2022. De heffingsambtenaar had dus tot en met 2 november 2022 de tijd om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.  </para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft op 22 september 2022 al een ingebrekestelling naar de heffingsambtenaar gestuurd. Dit was nog binnen de beslistermijn van de heffingsambtenaar. Om die reden is de ingebrekestelling prematuur. Het feit dat later is gebleken dat de heffingsambtenaar niet binnen de hierboven genoemde beslistermijn een nieuw besluit heeft genomen, maakt dit niet anders. </para>
    <para />
    <para>7. Met de premature ingebrekestelling is niet voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is om die reden niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inhoudelijk beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Met de uitspraak op bezwaar van 2 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar alsnog een beslissing genomen op het bezwaar van eiser. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag in stand gelaten. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op deze alsnog genomen uitspraak op bezwaar. </para>
    <para />
    <para>9. Met de brief van 18 april 2023 heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken aan te geven of en waarom hij het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft binnen deze termijn geen reactie ontvangen. Ter voorbereiding op de zitting van 19 februari 2024 heeft de griffier telefonisch contact gehad met de gemachtigde van eiser. De griffier heeft de gemachtigde van eiser geattendeerd op de brief van 18 april 2023 en nogmaals gevraagd om schriftelijk te laten weten of eiser het eens is met de uitspraak op bezwaar. Indien eiser het niet eens is met de uitspraak op bezwaar heeft de griffier de gemachtigde verzocht om schriftelijk de beroepsgronden in te dienen. Hierna heeft de rechtbank wederom geen reactie ontvangen. De griffier heeft de gemachtigde van eiser hierna meermaals telefonisch proberen te bereiken, maar heeft hem niet meer kunnen spreken. Op de zitting waren eiser en zijn gemachtigde zonder voorafgaande afmelding niet aanwezig om de vragen van de rechtbank te beantwoorden.</para>
    <para />
    <para>10. Eiser is gewezen op de gevolgen van het niet aanvoeren van beroepsgronden. De rechtbank heeft eiser meerdere keren de mogelijkheid gegeven om alsnog beroepsgronden in te dienen. Nu eiser dit niet heeft gedaan en ook niet is gebleken van een verschoonbare reden om geen beroepsgronden in te dienen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk. Ook het beroep tegen de alsnog genomen uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk.  </para>
    <para />
    <para>12. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. N.J.A. van Eck, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>4 maart 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
      <para> rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9b77185a-6cc9-4ae2-9e96-aa67a68de4a9" label="1">
    <para> De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4769.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0cf11c33-283d-412f-8c81-4e46be121149" label="2">
    <para> De rechtbank heeft partijen met de brief van 12 januari 2024 uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de zitting. Deze brief is digitaal verstuurd via MijnRechtspraak.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e83a0d01-7776-490b-a246-451470cd1d62" label="3">
    <para> Zie artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f,  van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a1030c61-68fc-4638-9e3e-15182f6de320" label="4">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd47d8f1-b160-42b8-8f9a-b4b0b898c9c1" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 11 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2558.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>