<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:1154</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:26:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/745737 FT RK 24.103</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2024-0077</rdf:li>
          <rdf:li>RI 2024/36</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Insolventierecht 2024/106</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1154">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1154</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-14T11:27:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:1154 Rechtbank Amsterdam , 27-02-2024 / C/13/745737 FT RK 24.103</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1154:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WHOA; openbare akkoordprocedure; maatwerkvoorziening ex artikel 379 Fw (het van toepassing verklaren van de JIN Guidelines, JIN Modalities en door de Amerikaanse rechtbank vastgestelde bijzondere bepalingen) afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1154:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank AMSTERDAM </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummers: C/13/745737 FT RK 24.103</para>
      <para>uitspraakdatum: 27 februari 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">verzoek maatwerkvoorziening ex artikel 379 Fw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Mercon B.V.</emphasis>,</para>
      <para>ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer 61741140, </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,</para>
      <para>hierna te noemen: Mercon,</para>
      <para>advocaten: mr. K.P. Hoogenboezem, mr. G.P. van Hooft en mr. D.M. van de Loo.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Mercon heeft op 7 december 2023 een startverklaring ex artikel 370 lid 3          Faillissementswet (Fw) ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd. Mercon heeft daarbij gekozen voor een openbare akkoordprocedure buiten faillissement.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 29 januari 2024 heeft Mercon een verzoekschrift tot het aanstellen van een        observator zoals bedoeld in artikel 380 jo 379 Fw ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Gelijktijdig heeft Mercon op 29 januari 2024 een verzoekschrift tot het treffen van een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 379 Fw ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 9 februari 2024 heeft de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna te noemen:     Rabobank) een zienswijze inzake het verzoekschrift tot het aanstellen van een observator   en het treffen van een maatwerkvoorziening ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 13 februari 2024. Via een videoverbinding hebben aan de zitting deelgenomen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Namens Mercon</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>mr. K.P. Hoogenboezem en mr. D.M. van de Loo, advocaten, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>M. Bloom en J. Dodd, Amerikaanse advocaten van Mercon, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam 1] Genannt Parchen, bestuurder van Mercon, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam 2] , CRO/Foreign Representative van Mercon, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam 3] (Riveron Consulting LLC), </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam 4] (Riveron Consulting LLC), </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam 5] (Riveron Consulting LLC), </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Namens Rabobank</emphasis>:  </para>
      </parablock>
      <para>- mr. F.A. van de Wakker en mr. D.D. Kalter, advocaten,  </para>
      <para />
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>I. Bagby en A. Greenberg, Amerikaanse advocaten van Rabobank, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>mr. [naam 6] , accountmanager Financial Restructuring &amp; Recovery </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Rabobank,  </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>mr. D. Kuiper, Rabobank legal, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>mr. M. Mzaoui, advocaat, </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Namens Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. (hierna te noemen: FMO)</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>mr. I. van Gasteren, advocaat, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam 7] , </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>M. McGreal, Amerikaanse advocaat van FMO,</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vertaler</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para>- A. Burrough.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Mr. Van de Loo heeft het verzoek nader toegelicht aan de hand van door haar overgelegde spreekaantekeningen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft bij beschikking van 14 februari 2024 mr. J.R. Berkenbosch    benoemd tot observator. De rechtbank heeft de uitspraak met betrekking tot het treffen van een maatwerkvoorziening bepaald op heden.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek van Mercon</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Mercon heeft een verzoek tot het treffen van een maatvoorziening bij de rechtbank ingediend.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan het verzoek heeft Mercon - zakelijk weergegeven - het volgende ten        grondslag gelegd. Mercon is een onderdeel van een wereldwijde groep vennootschappen   die opereert onder de naam “Mercon” (de Mercon Coffee Groep). De Mercon Coffee Groep is een producent en wereldwijde leverancier van koffie. De Mercon Coffee Groep verkeert in financieel zwaar weer en heeft de eerste stappen gezet in het implementeren van een ontmantelingsproces. Onderdeel van dit wereldwijde ontmantelingsproces zijn onder meer de Chapter 11 procedures die de Mercon Coffee Groep op 6 december 2023 in de Verenigde Staten is begonnen. Deze procedures zullen procedureel geconsolideerd worden behandeld. In  Brazilië heeft de Mercon Coffee Groep een verzoek gedaan tot erkenning van de Chapter  11 procedures. Mercon beoogt een liquidatieakkoord voor te bereiden dat tot doel heeft   wereldwijd een gecontroleerde en doelmatige afwikkeling van haar vermogen mogelijk te maken. Een gecontroleerde afwikkeling leidt tot een hogere opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers dan een afwikkeling in faillissement. Mercon verkeert in de situatie dat een    insolventiescenario niet meer kan worden afgewend. Voor de afwikkeling van haar positie  is Mercon aangewezen op de voorzieningen in het Nederlands recht, waaronder de WHOA. De WHOA procedure maakt onderdeel uit van een meeromvattende en complexe serie    procedures in verschillende landen.</para>
        <para>Mercon tracht onder meer door middel van een Chapter 11 procedure en de WHOA procedure haar vermogen op een gecontroleerde en doelmatige manier af te wikkelen teneinde meer opbrengst te genereren voor de gezamenlijke schuldeisers. De samenloop van de Chapter 11 procedure  en de WHOA procedure vereist afstemming. Deze parallelle procedures zien op dezelfde schuldenaar, dezelfde schuldenlast en dezelfde schuldeisers. Tussen </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>de insolventiewetgeving van de betrokken jurisdicties bestaan echter grote materieel- en </para>
        <para>procesrechtelijke verschillen. In dat kader zijn de “Guidelines for Communication and     Cooperation between Courts in Cross-Border Insolvency Matters” (de JIN Guidelines)  </para>
        <para>en  de “Modalities of Court-to-Court Communication” (de JIN Modalities) ontwikkeld.     De JIN Guidelines bevatten best-practice bepalingen ten aanzien van de communicatie en samenwerking tussen rechtbanken in grensoverschrijdende insolventieprocedures. De JIN Modalities bevatten concretere mechanismen aan de hand waarvan de communicatie tussen buitenlandse mechanismen aan de hand waarvan de communicatie tussen buitenlandse rechtbanken kan worden ingericht. De Amerikaanse rechtbank heeft deze regelingen reeds   - voorwaardelijk - aangenomen en enkele ‘bijzondere’ bepalingen  vastgesteld, welke zijn toegespitst op de procedures van Mercon (productie 4 en 5 bij het verzoekschrift en tezamen te noemen het Protocol). Voor zover er een discrepantie bestaat tussen een bepaling uit de JIN Guidelines of de JIN Modalities enerzijds en een ‘bijzondere’ bepaling anderzijds, prevaleert laatstgenoemde. De voorwaardelijkheid ziet op de voorwaarde dat ook een buitenlandse rechtbank het Protocol van toepassing verklaard. Mercon verzoekt dan ook het     Protocol op de onderhavige WHOA procedure van toepassing te verklaren. Het Protocol  bevat enkel bepalingen van procedurele aard. De maatwerkvoorziening biedt de rechtbank de mogelijkheid om te communiceren met de buitenlandse rechtbanken waar zij dat nodig acht en vice versa. Als de wens ontstaat om af te stemmen met de buitenlandse rechtbanken         - Mercon weet ook niet of dat het geval zal zijn - dan is de mogelijkheid daartoe in ieder   geval aanwezig. Tot slot geeft Mercon de rechtbank in overweging om de griffie van Team Insolventies van de rechtbank Amsterdam als <emphasis role="italic">Facilitator</emphasis> aan te wijzen. De voor de procedure van belang zijnde stukken zullen bij de rechtbank worden aangeleverd door de <emphasis role="italic">Foreign Representative</emphasis> van Mercon, de heer [naam 2] . Mercon begrijpt de opmerking, naar aan-    leiding van de ‘bijzondere’ bepalingen als opgenomen in de onderdelen 10 en 11 van het Protocol,  dat de rechtbank geen prijs stelt op toezending van een veelvoud aan stukken    terwijl er geen verzoek aan ten grondslag ligt en deze wellicht niet van belang zijn voor de WHOA procedure. Echter in dit stadium van de procedure kan het Protocol niet worden aangepast. Als het Protocol, ondanks het bezwaar, van toepassing wordt verklaard, zal   Mercon haar best doen deze voorwaarde uit het Protocol te laten verwijderen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De zienswijze en standpunt van Rabobank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft een instemmende zienswijze ontvangen van Rabobank. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 379 Fw kan de rechtbank op verzoek van de schuldenaar of de herstructureringsdeskundige dan wel ambtshalve zodanige bepalingen maken en voorzieningen treffen als zij ter beveiliging van de belangen van de schuldeisers of de aandeelhouders nodig oordeelt. Deze voorzieningen worden ook wel aangeduid als maatwerkvoorzieningen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De wetgever heeft bij de maatwerkvoorzieningen als bedoeld in artikel 379 Fw het oog gehad op voorzieningen die in de eerste plaats dienen om de belangen van de betrokken </para>
        <para>schuldeisers of aandeelhouders te waarborgen. Uit de door de wetgever gegeven voorbeel-</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>den blijkt bovendien dat de te treffen voorzieningen betrekking hebben op (de procedure </para>
        <para>voor) de totstandkoming van het akkoord (vgl. MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 36). Een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 379 Fw heeft in die zin eenzelfde oogmerk als de andere voorzieningen die in het kader van Titel IV van de Faillissements-wet (Wet Homologatie Onderhands Akkoord) verzocht kunnen worden, zoals het verzoek </para>
        <para>een afkoelingsperiode af te kondigen (artikel 376 Fw) of het verzoek rechtshandelingen te mogen verrichten (artikel 42a Fw). Ook die voorzieningen dienen er toe om de schuldenaar in staat te stellen een akkoord tot stand te brengen (MvT, p. 20-22). De wetgever heeft     bovendien bij de redactie van artikel 379 Fw aangesloten bij de voor de surseance reeds   bestaande maatwerkbepaling van artikel 225 Fw. Ook deze bepaling kent een beperkte   reikwijdte en biedt de rechtbank slechts de bevoegdheid om gedurende de surseance van  betaling ten behoeve van alle schuldeisers een ordemaatregel te nemen, die dient om de    belangen van de gezamenlijke schuldeisers te beschermen. Het van toepassing verklaren  van het Protocol - de JIN Guidelines, JIN Modalities en de door de Amerikaanse rechter  opgenomen ‘bijzondere bepalingen’ - zou een voorziening kunnen zijn, die past in het kader van artikel 379 Fw.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat zij het belang van Court-to-Court communicatie in  het geval van parallelle procedures onderkent. Zij is ook zeker bereid te communiceren met buitenlandse rechtbanken ten aanzien van de processuele gang van zaken rondom verzoeken die in beide procedures spelen en hierover (afstemmings)afspraken te maken. De rechtbank heeft dus in beginsel geen bezwaar tegen het van toepassing verklaren van de JIN Guide-   lines en JIN Modalities in de onderhavige parallelle procedures. Echter de door de Amerikaanse rechtbank opgenomen onderdelen 10 en 11 van de ‘bijzondere’ bepalingen als opgenomen in het Protocol stuiten op bezwaar. In deze bepalingen is - kort weergegeven - opgenomen dat stukken (‘<emphasis role="italic">Any Report’</emphasis>) die door de schuldenaar of de <emphasis role="italic">Authorized Representative</emphasis> ( [naam 2] ) aan een van de rechtbanken worden gezonden ook aan de andere rechtbanken dienen te worden toegezonden. Deze bepalingen verhouden zich slecht met de regels van  het Nederlandse Burgerlijk procesrecht. Het Nederlandse Burgerlijk procesrecht gaat uit  van de veronderstelling dat de rechter kennis neemt van processtukken die van belang zijn ter onderbouwing van de stellingen van partijen met betrekking tot het verzoek waarop hij moet beslissen. Dit vooronderstelt dat er een concreet verzoek voor ligt waarop hij moet beslissen. Toezending van stukken terwijl er nog geen verzoek is ingediend bij de rechtbank, betekent dat dergelijke stukken niet als processtuk aan het procesdossier worden toegevoegd en de rechter deze stukken naast zich neer zal leggen. Partijen krijgen voorafgaande aan     de behandeling van hun verzoek(en) in het kader van een WHOA procedure voldoende gelegenheid om de relevante stukken ter onderbouwing van hun stellingen bij de rechtbank in te dienen. Op dat  moment neemt de rechtbank kennis van de stukken en worden deze aan het procesdossier toegevoegd. Dit betekent in dit geval dat de zeer algemene bepaling zoals opgenomen in  onderdeel 10 en 11 van de ‘bijzondere bepalingen’ van het Protocol niet past binnen het  toepasselijke Nederlandse procesrecht. De rechtbank stelt geen prijs op toezending van een veelvoud aan stukken terwijl er geen verzoek aan ten grondslag ligt en het belang voor de mogelijk nog in te dienen verzoeken in de WHOA procedure niet gebleken is. Nu deze dwingende bepaling onderdeel is van het Protocol en dit - naar zeggen van Mercon - in dit stadium van de procedure niet kan worden aangepast, kan het Protocol niet van toepassing worden verklaard en zal er geen <emphasis role="italic">Facilitator </emphasis>worden aangewezen. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. de Vos, voorzitter, mr. P.J. Neijt en </para>
        <para>mr. J.H. Steverink, rechters, en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op </para>
        <para>27 februari 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>