<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:1053</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-01T15:09:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-322672-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1053">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1053</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-01T13:25:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:1053 Rechtbank Amsterdam , 21-02-2024 / 13-322672-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1053:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. Belgisch EAB t.b.v. vervolging. Aan het ontbreken van de aanduiding van de specifieke wetsbepaling wordt in de onderhavige situatie geen gevolg verbonden. Detentiegarantie. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1053:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-322672-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 21 februari 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 20 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_7f8f7e3a-b919-40c2-87c5-031568fde62e" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 30 november 2023 door de Rechtbank eerste Aanleg Limburg, afdeling Tongeren, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>verblijvend op het adres: </para>
      <para>
        [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 februari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat in Utrecht, waarnemend voor de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. W.B. Lisi, eveneens advocaat in Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_2dbfec02-7bb8-4e20-9f82-5fe8a20310c1" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Duitse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een door de uitvaardigende justitiële autoriteit uitgevaardigd <emphasis role="italic">bevel tot aanhouding bij verstek in fine uitlevering van 30 november 2023</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_affa9bc7-5dc5-4dc4-a00c-155899f1f245" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd nu het EAB ongenoegzaam is op twee punten. Allereerst is weliswaar de wet benoemd op basis waarvan de feiten in België strafbaar zouden zijn, maar deze wet omvat vele bepalingen en niet is duidelijk gemaakt om welke Belgische wetsbepalingen het in deze zaak zou gaan. Voorts is de verdenking onvoldoende duidelijk omschreven. Er is sprake van een drugslaboratorium, er wordt melding gemaakt van dumpingen van synthetisch afval en van het aanleveren van chemicaliën, zonder dat duidelijk wordt om welke verdovende middelen het gaat en wat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon precies is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feitsomschrijving voldoet aan de hiervoor genoemde vereisten. De opgeëiste persoon wordt immers – kort gezegd – verdacht van betrokkenheid (in een leidende rol) bij de productie van synthetische drugs in een drugslaboratorium in Koersel in de periode van 5 mei 2023 tot 4 oktober 2023. Het gaat tevens om dumpingen van synthetisch afval en het aanleveren van chemicaliën ten behoeve van het laboratorium, waarbij ook een ruimere plaatsaanduiding is omschreven: Tongeren, Heusden-Zolder, Koersel-Beringen en elders in België. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank constateert met de raadsman dat het EAB weliswaar de Belgische strafwet benoemt waar het feit onder valt maar niet aanduidt welke bepalingen van deze wet worden overtreden. De rechtbank is echter van oordeel dat aan dit gebrek in de onderhavige zaak geen gevolgen hoeven te worden verbonden en wijst hierbij op het volgende. De beoordeling of het feit strafbaar is naar het recht van de uitvaardigende lidstaat en, zo ja, onder welke bepaling staat uitsluitend ter beoordeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Ook zonder de wetsbepaling staat vast dat het feit genoegzaam is omschreven, inclusief de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon, en dat die omschrijving het specialiteitsbeginsel waarborgt. Het EAB vermeldt dat die betrokkenheid van de opgeëiste persoon naar Belgisch recht strafbaar is onder de <emphasis role="italic">Wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van verdovende middelen, Koninklijk besluit van 06.09.2017 houdende de regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>. In onderdeel c) is tevens vermeld dat op het feit een maximumstraf staat van 10 tot 15 jaar terwijl ook – in lijn met de omschrijving van het feitencomplex – het lijstfeit “illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” is aangekruist, zodat een onderzoek naar de strafbaarheid van het feit naar Nederlands recht achterwege moet blijven. Van twijfel over de vraag voor welk strafbaar feit de overlevering wordt verzocht, is dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5 , te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 29 december 2023 heeft het parket van de Procureur des Konings Limburg de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overeenkomstig artikel 5 paragraaf 3 van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] . </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden in België </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 14 december 2022<footnote-ref linkend="_b5948f7c-79b7-4643-a5e5-defb0419afd4" /> heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat er op dit moment ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op die detentieomstandigheden, de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 15 januari 2023 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Turnhout indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">2.  Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?  </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze  die  in  overeenstemming  is  met  de  fundamentele  rechten  en  in  het  bijzonder  relevante  internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-  De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m 2  individuele levensruimte. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-  De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m 2  inclusief vast meubilair. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-  De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-  Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Sanitaire en hygiëne omstandigheden </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren  van  de  kwaliteit  de  gezondheidszorg  binnen  de  gevangenismuren.  De  medische  zorg  binnen  de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.</emphasis>
      </para>
      <para>Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.<footnote-ref linkend="_0fd41976-b053-4235-afd2-a29d07554c4f" /> De rechtbank is, gelet op deze garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de Rechtbank eerste Aanleg Limburg, afdeling Tongeren, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Snijders Blok-Nijensteen,	                                                                    voorzitter,</para>
      <para>mrs. N.J. Koene en B.M. Vroom-Cramer,	                                         	        rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,                                         	         griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 februari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_7f8f7e3a-b919-40c2-87c5-031568fde62e" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2dbfec02-7bb8-4e20-9f82-5fe8a20310c1" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_affa9bc7-5dc5-4dc4-a00c-155899f1f245" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b5948f7c-79b7-4643-a5e5-defb0419afd4" label="4">
    <para>ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0fd41976-b053-4235-afd2-a29d07554c4f" label="5">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, <emphasis role="italic">ML</emphasis>, ECLI:EU:C:2018:589.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>