<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:1051</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-04T13:02:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.322004-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1051">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1051</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-29T16:10:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:1051 Rechtbank Amsterdam , 21-02-2024 / 13.322004-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1051:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. EAB Bulgarije t.b.v. de tenuitvoerlegging van twee veroordelingen. Detentieomstandigheden. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te concluderen dat het gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling (art. 4 handvest) is weggenomen. Beslistermijn is verlopen. Rechtbank geeft geen gevolg aan het EAB.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1051:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.322004-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 21 februari 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 18 juni 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_11d81603-9091-4c72-b8ba-300cd7a6754c" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2019 door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Montana, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1981,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:</para>
      <para>
        [adres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 januari 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven en door een tolk in de Bulgaarse taal. Omdat meerdere stukken - die wel bekend waren bij de officier van justitie en de raadsman - ontbraken in het rechtbankdossier, is de zaak voor bepaalde tijd aangehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling is – in gewijzigde samenstelling en met instemming van partijen – voortgezet op de zitting van 7 februari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie, de opgeëiste persoon, bijgestaan door een Bulgaarse tolk en de raadsman, mr. C.W.J. Faber. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken.<footnote-ref linkend="_2014790c-190d-4d28-8969-62c4ef606902" /> Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.<footnote-ref linkend="_51cfb74b-2b41-4454-9226-cb28254f6d05" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat het overleveringsverzoek ziet op: </para>
      <para>I. Een veroordeling tot een (niet-vrijheidsbenemende) straf onder voorwaarden van 18 april 2017 door <emphasis role="italic">the Regional Court Lom</emphasis> met kenmerk 189/2017. Deze straf is wegens het niet voldoen aan de voorwaarden omgezet in een vrijheidsbenemende straf door het vonnis van <emphasis role="italic">the District Court Montana</emphasis> op 23 januari 2019 (kenmerk: 183/2018) waarna later – vanwege een verkeerde berekening in de omzetting – door het arrest van <emphasis role="italic">the Sofia Appellate Court</emphasis> op 13 maart 2019 (kenmerk: 226/2019) de voorwaardelijke straf op juiste wijze is omgezet in een vrijheidsbenemende straf. Deze procedure ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf van 3 maanden en 9 dagen. Deze straf moet nog geheel worden uitgezeten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II. Een veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 mei 2016 door <emphasis role="italic">the Regional Court Montana </emphasis>met kenmerk 757/2016; deze straf is later omgezet in een vrijheidsbenemende straf door de beslissing van <emphasis role="italic">the Regional Court Lom</emphasis> van 2 juli 2019 (kenmerk: 161/2019). Deze procedure ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf van 3 maanden. Ook deze straf moet nog geheel worden uitgezeten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in deze twee procedures opgelegde vrijheidsstraffen: respectievelijk 3 maanden en 9 dagen (I) en 3 maanden (II). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze procedures betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_4797d521-f3a4-4808-bda9-8b8ac17caf0e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW nu het dossier op dit punt volstrekt onduidelijk is en de opgeëiste persoon dus mogelijk in zijn verdedigingsrechten is geschaad.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Procedure I</emphasis>
        </para>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 21 november 2022 volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing van 18 april 2017 door <emphasis role="italic">the Regional Court Lom</emphasis> met kenmerk 189/2017. De rechtbank leidt voorts uit de aanvullende informatie van 7 april 2023 af dat de omzettingsbeslissingen van <emphasis role="italic">the District Court Montana</emphasis> op 23 januari 2019 (kenmerk: 183/2018) en later – vanwege een verkeerde berekening in de omzetting – door <emphasis role="italic">the Sofia Appellate Court</emphasis> op 13 maart 2019 (kenmerk: 226/2019) van de straf in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (vanwege het niet naleven van de voorwaarden, zoals het onderhouden van contact met een reclasseringsambtenaar) niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW vallen nu de autoriteiten die deze beslissingen hebben gegeven met betrekking tot het wijzigen van de aard van de oorspronkelijke straf niet over een zekere beoordelingsbevoegdheid beschikten.<footnote-ref linkend="_27c8252f-b4bc-4e78-be4c-b1555404e200" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Procedure II</emphasis>
        </para>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 1 februari 2023 volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing van 18 mei 2016 door <emphasis role="italic">the Regional Court Montana </emphasis>met kenmerk 757/2016 waarbij de opgeëiste persoon tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, met een proeftijd van 3 jaar. Deze straf is later omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij beslissing van <emphasis role="italic">the Regional Court Lom</emphasis> van 2 juli 2019 (kenmerk: 161/2019) vanwege de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, te weten de hierboven onder <emphasis role="italic">Procedure I </emphasis>genoemde veroordeling van 18 april 2017 door <emphasis role="italic">the Regional Court Lom</emphasis> (189/2017).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_8fc0b302-3a8a-464b-8057-a4536c93fa9e" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Hiervoor is onder <emphasis role="italic">Procedure I </emphasis>al vastgesteld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij proces dat heeft geleid tot de beslissing van 18 april 2017 door <emphasis role="italic">the Regional Court Lom</emphasis> met kenmerk 189/2017. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing tot tenuitvoerlegging zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_de918bc1-b2e6-4552-91f1-2691b2b4327c" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ook ten aanzien van deze procedure is artikel 12 OLW dus niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">overtreding van artikel 30, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW, detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB vanwege het gevaar voor een inhumane behandeling in Bulgaarse detentie-instellingen. Het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar is met de verstrekte informatie niet weggenomen; vragen van het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) hieromtrent zijn bovendien niet beantwoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op grond van het <emphasis role="italic">Public statement</emphasis> van het <emphasis role="italic">European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment</emphasis> (CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).<footnote-ref linkend="_83530136-3619-4702-b8fc-3e7c84556a6b" /> Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt.<footnote-ref linkend="_e7551376-9f2a-47a3-8a52-95ff872f36e3" /> Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022.<footnote-ref linkend="_6780a3da-416f-4d40-aa1e-c12b8328d6c2" /> De officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit dan ook om een detentiegarantie verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aanvullende informatie van 21 november 2022, 1 februari 2023 en 7 april 2023 is namens de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat de opgeëiste persoon in de detentie-instelling in Vratsa zal worden geplaatst en dat <emphasis role="italic">“the bedrooms are of different sizes, but meet the minimum European standards”. </emphasis>Onvoldoende duidelijk is op welke standaarden hier wordt gedoeld. Tevens is meegedeeld dat <emphasis role="italic">“The Prosecutor's Office may not and does not have the power to guarantee to the convicted person that he will stay in a cell with personal space of at least 4 square meters (excluding sanitary facilities) during the full serving of his punishments”. </emphasis>De hierna – wederom - gestelde vragen van het IRC of de Bulgaarse autoriteiten kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon minimaal 4m2 <emphasis role="italic">personal space</emphasis>, exclusief sanitair, ter beschikking staat, zijn niet meer beantwoord</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is sprake van een sterk vermoeden van schending van artikel 4 Handvest wanneer niet is gegarandeerd dat een gedetineerde ten minste 3 m2<emphasis role="italic"> personal space </emphasis>in een meerpersoonscel exclusief sanitair ter beschikking staat.<footnote-ref linkend="_ba4a12e3-b3bc-4c3c-afe3-019eb5f46bf4" /> Hoewel het IRC meermaals heeft gevraagd om een garantie van 4m2 in plaats van 3, is op deze vragen niet meer gereageerd, terwijl ook de eerdere aanvullende informatie – afgezet tegen het hiervoor aangehaalde algemene gevaar – onvoldoende duidelijkheid verschaft op dit punt. Het is dus onduidelijk gebleven of de opgeëiste persoon in zijn cel in Vratsa minimaal 3m2 meter ter beschikking zou komen te staan. De rechtbank beschikt op dit moment dus over onvoldoende informatie om te concluderen dat het gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Nu de beslistermijn in deze zaak is verlopen, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit (nogmaals) om informatie te vragen over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank geen gevolg zal geven aan het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEEFT GEEN GEVOLG </emphasis>aan het EAB uitgevaardigd ten behoeve van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Montana, Bulgarije voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Snijders Blok-Nijensteen,	                                                                    voorzitter,</para>
      <para>mrs. N.J. Koene en B.M. Vroom-Cramer,	                                         	        rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,                                         	         griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 februari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_11d81603-9091-4c72-b8ba-300cd7a6754c" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2014790c-190d-4d28-8969-62c4ef606902" label="2">
    <para> Zie artikel 22 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51cfb74b-2b41-4454-9226-cb28254f6d05" label="3">
    <para> De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4797d521-f3a4-4808-bda9-8b8ac17caf0e" label="4">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27c8252f-b4bc-4e78-be4c-b1555404e200" label="5">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fc0b302-3a8a-464b-8057-a4536c93fa9e" label="6">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_de918bc1-b2e6-4552-91f1-2691b2b4327c" label="7">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83530136-3619-4702-b8fc-3e7c84556a6b" label="8">
    <para>Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. Rechtbank Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7551376-9f2a-47a3-8a52-95ff872f36e3" label="9">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6780a3da-416f-4d40-aa1e-c12b8328d6c2" label="10">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ba4a12e3-b3bc-4c3c-afe3-019eb5f46bf4" label="11">
    <para> HvJ EU, 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu) en EHRM 20 oktober 2017, 7334/13, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413 (Muršić vs Croatia).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>