<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:1007</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T14:24:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/148686-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2026:1219" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2026:1219, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1007">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:1007</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-26T14:04:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:1007 Rechtbank Amsterdam , 25-01-2024 / 13/148686-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1007:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontnemingszaak. De rechtbank is op grond van het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van oordeel dat aannemelijk is dat ‘bepaalde strafbare feiten’ op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en schat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van het rapport op € 14.431,04.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:1007:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="b062d8ee-7b8a-4ee3-9db7-c1d63ff94f03" depth="16" width="550" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/148686-21 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 25 januari 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak behorend bij de strafzaak met parketnummer 13/148686-21 tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>, </para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] te [land van herkomst] op [geboortedag] 1992,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , </para>
      <para>nu gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] te [plaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen ‘ [veroordeelde] ’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 14 december 2023. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. C.P. Staal ter zitting naar voren is gebracht. [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. M.S. Rozenbeek, zijn niet ter terechtzitting verschenen. Op 13 december 2023 heeft de raadsman per e-mailbericht aan de rechtbank laten weten dat hij persisteert bij zijn (schriftelijke) standpunt en dat hij en [veroordeelde] daarom niet zullen verschijnen ter zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering en de grondslag daarvan</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officier van justitie van 26 mei 2023 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel ter hoogte van € 14.431,04. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2021 veroordeeld voor “<emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan  </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">met betrekking tot een vuurwapen  van categorie III”. </emphasis>Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht en het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling over de periode 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2021; de dag van verdachte’s aanhouding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van een regiezitting op 12 september 2023, heeft de raadsman op 28 november 2023 een schriftelijk standpunt (Conclusie van Antwoord) ingediend. De officier van justitie heeft vervolgens op 8 december 2023 gereageerd (Conclusie van Repliek).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op basis van financieel onderzoek met een zogenaamde kasopstelling. Uit deze kasopstelling blijkt dat [veroordeelde] € 14.431,04 in de onderzochte periode meer heeft uitgegeven dan hij op basis van zijn legale inkomsten zou hebben kunnen doen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van het schriftelijke standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft aangekondigd niet ter zitting te zullen verschijnen en de rechtbank verzocht het schriftelijk standpunt van de verdediging mee te nemen in haar beoordeling.  De rechtbank heeft hierop in een schriftelijke reactie laten weten de vordering op zitting te behandelen en dat het aan meneer [veroordeelde] en de raadsman is om wel of niet te verschijnen, daar wel of geen standpunt in te nemen, verweren te voeren en of eventuele vragen te beantwoorden. Hierop heeft de raadsman laten weten, net als zijn client, niet te zullen verschijnen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 511e van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) volgt dat de rechtbank beraadslaagt naar aanleiding van de vordering <emphasis role="italic">en</emphasis> het onderzoek ter terechtzitting. Standpunten, waaronder vooraf schriftelijk ingediende standpunten, moeten ter zitting worden herhaald om als een responsieplichtig verweer te gelden.<footnote-ref linkend="_56e49358-14e3-48a6-84c1-d3f79a43dcf4" /> Gelet hierop is de rechtbank niet verplicht het schriftelijke standpunt van de verdediging mee te nemen in haar beoordeling.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De grondslag van de berekening van het wederrechtelijke verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank berekent het geschatte voordeel van veroordeelde op basis van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel houdt onder meer in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, wanneer aannemelijk is dat <emphasis role="italic">of </emphasis>dat misdrijf <emphasis role="italic">of</emphasis> andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In zo’n geval kan ook worden vermoed dat uitgaven die de betrokkene heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. Dit tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten.</para>
        <para>De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>1. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan op basis van dit artikellid plaatsvinden wanneer – kort samengevat – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid, stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.<footnote-ref linkend="_ff4216b5-7235-4a26-89d0-e1e6d753789d" /></para>
      <para />
      <para>2. De methode van kasopstelling is een toelaatbare grondslag voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij een kasopstelling wordt vastgesteld of de betrokkene in een bepaalde periode meer heeft uitgegeven dan kan worden verklaard met legale inkomsten.<footnote-ref linkend="_7212df68-e8db-4628-80ba-f6661049ba88" /></para>
      <para />
      <para>3. In ontnemingsprocedures geldt een ‘redelijke bewijslastverdeling’ en van de betrokkene mag worden gevergd dat hij concreet en gemotiveerd aanvoert dat en waarom de aannames en/of de berekeningsmethode van het Openbaar Ministerie onjuist zijn. Uiteindelijk moet de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op basis van wettige bewijsmiddelen. Het gaat er daarbij om dat het voordeel aannemelijk is geworden.<footnote-ref linkend="_788282fc-d5d4-46e8-9ef6-201ad99d89e1" /></para>
      <para />
      <para>4. [veroordeelde] is in de hoofdzaak veroordeeld vanwege – kort gezegd – het voorhanden hebben van een pistool. Dit betreft een misdrijf waarvoor op basis van artikel 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit feit kan dus als grondslag dienen voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel “indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel  </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat [veroordeelde] in de periode van 1 januari 2017 tot en met 7 juni 2019 wederrechtelijk voordeel verkregen heeft gekregen. Voor die vaststelling en de berekening van de hoogte, kijkt de rechtbank naar het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling” van 13 juli 2022 (inclusief bijlagen). Daarin  staat - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">‘In het strafrechtelijk onderzoek naar betrokkene is geen zicht verkregen op alle individuele transacties / strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is er daarom voor gekozen om een eenvoudige kasopstelling te vervaardigen. De onderzoeksperiode betreft 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2021. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Om te bepalen hoeveel contanten betrokkene ter beschikking had zal aan het begin van de onderzoeksperiode het saldo aan contanten vastgesteld moeten worden. Om dit goed te kunnen berekenen werd onderzoek verricht naar de bankmutaties van de ING bankrekeningen, in de periode van eerste maand van de onderzoeksperiode, te weten 1 januari 2019 tot en met 31 januari 2019.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat er geld door iemand van zijn of haar bankrekening </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">wordt opgenomen als zijn of haar portemonnee leeg is. Uit de verstrekte bankrekeninggegevens bleek dat op 28 januari 2019 een bedrag van € 60, - contant werd opgenomen. Op basis hiervan zal het legale beginsaldo gesteld worden op € 60.-’</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Beginsaldo contant geld				€ 60,-</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">+/+ Legale contante ontvangsten 			€ 4.918,96</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">-/- Eindsaldo contant geld		 		€ 600,-</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">= Beschikbaar voor het doen van uitgaven 		€ 4.378,96</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">-/- Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Contante stortingen 				€ 5.810,-</emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">Aankoop voertuig				€ 13.000,-</emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">= verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) 	€ 14.431,04</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>Bron: Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, pagina 13.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit dit onderzoek is gebleken dat in de onderzochte periode de contante stortingen door [veroordeelde] hoger waren dan het beschikbare legale kasgeld. Het verschil bedraagt € 1.431,04. Aangezien niet is gebleken dat [veroordeelde] een andere legale bron van inkomsten of vermogen had die dit verschil kan verklaren en hij hierover ook geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd, kan het volgens de rechtbank niet anders zijn dan dat het bedrag van € 1.431,04 van misdrijf afkomstig is. Aannemelijk is dan ook,  dat wederrechtelijk voordeel uit (andere) strafbare feiten is verkregen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ten aanzien van de resterende € 13.000,- – te weten de contante betaling van de Volkswagen Polo – overweegt de rechtbank als volgt. Alhoewel de Volkswagen Polo op naam stond van de schoonmoeder van [veroordeelde] , [persoon 1] , staat op grond van het onderzoek vast dat [veroordeelde] aanwezig was bij de aankoop van het voertuig, dat hij het voertuig veelvuldig gebruikte en dat hij meebetaalde aan de verzekering van de auto. [veroordeelde] sprak bovendien tegen derden over ‘zijn’ auto. Daarnaast kan op grond van het financieel onderzoek naar schoonmoeder [persoon 1] , haar partner [persoon 2] en [veroordeelde] partner [persoon 3] de contante aankoop van het voertuig niet worden verklaard. Verder heeft [persoon 1] wisselend en tegenstrijdig verklaard over hoe zij aan het contante geld voor de auto zou zijn gekomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat het [veroordeelde] is geweest die de Volkswagen Polo heeft aangekocht door een contante betaling van € 13.000,-. Niet is gebleken dat [veroordeelde] in de onderzoeksperiode of daarvoor een legale bron van inkomsten of vermogen had die aan deze uitgave ten grondslag ligt. [veroordeelde] heeft daarover geen enkele onderbouwde verklaring afgelegd. De rechtbank oordeelt dat het niet anders kan dan dat ook het bedrag van € 13.000,-  van misdrijf afkomstig is en dat aannemelijk is dat sprake is van wederrechtelijk voordeel uit (andere) strafbare feiten.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Al met al is de rechtbank op grond van het rapport van oordeel dat aannemelijk is dat ‘bepaalde strafbare feiten’ op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en schat zij het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van het rapport op € 14.431,04. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De verplichting tot betaling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 14.431,04.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van <emphasis role="bold">€ 14.431,04 (veertienduizend vierhonderdeenendertig euro en vier cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt op aan <emphasis role="bold">[veroordeelde] </emphasis>de verplichting tot betaling van <emphasis role="bold">€ 14.431,04 (veertienduizend vierhonderdeenendertig euro en vier cent)</emphasis> aan de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">288 (tweehonderdachtentachtig) dagen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. R. Godthelp,									voorzitter,</para>
      <para>mrs. C.A.E. Wijnker en L. Noyon, 							rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, 						griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_56e49358-14e3-48a6-84c1-d3f79a43dcf4" label="1">
    <para> Zie art. 511e, eerste lid in samenhang met art 359, tweede lid, Sv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff4216b5-7235-4a26-89d0-e1e6d753789d" label="2">
    <para> Zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7212df68-e8db-4628-80ba-f6661049ba88" label="3">
    <para> Zie HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_788282fc-d5d4-46e8-9ef6-201ad99d89e1" label="4">
    <para> Zie HR 15 juni 2022, ECLI:NL:HR:2002:AD8950, NJ 2003/97 met verwijzing naar Kamerstukken II (MvT) 1989/90, 21 504, nr. 3, blz. 14-15.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>