<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:728</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-02T08:20:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/292881-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:728">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:728</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-27T15:30:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:728 Rechtbank Amsterdam , 02-02-2023 / 13/292881-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:728:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>VV-EAB Hongarije. Toestaan overlevering. Verweer detentieomstandigheden artikel 11 OLW slaagt niet. Afzien van weigering o.g.v. artikel 13 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:728:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/292881-22</para>
      <para>RK nummer: 22/4942</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 februari 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van de officier van justitie van 29 november 2022 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_24aff9bd-7c01-4ec4-bba2-881ce351479a" /> Dit EAB is uitgevaardigd op 21 oktober 2022 door <emphasis role="italic">the District Court Debrecen</emphasis> (Hongarije) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedag] 1984, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 januari 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_34b0350c-b4df-4e98-9e66-64c4992799ea" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Iraanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">national arrest warrant</emphasis> van 29 september 2022, uitgevaardigd door <emphasis role="italic">the Criminal Department of the Hajdú-Bihar County Police Headquarters</emphasis>, goedgekeurd door <emphasis role="italic">the Hajdú-Bihar County Chief Prosecution Office</emphasis> op 17 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_f752cea7-c339-4fce-bf93-bdbdedfeb853" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 14, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	moord en doodslag, zware mishandeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, met uitzondering van het feit dat ziet op het niet betalen van kinderalimentatie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten die ook naar Nederlands recht strafbaar zijn leveren op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	belaging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de raadsvrouw stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van dubbele strafbaarheid ten aanzien van het niet betalen van kinderalimentatie. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021.<footnote-ref linkend="_10f6f51f-bcdd-45d3-b5bd-b6a92881af30" /> In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert, omdat uit het in die zaak voorliggende EAB niet volgde dat het kind door het niet betalen van de alimentatie in een hulpbehoevende situatie terecht was gekomen. Hetzelfde geldt in deze zaak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van dit feit moet worden geweigerd vanwege het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de overlevering ten aanzien van dit feit niet te weigeren, nu er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde, het gaat om een Hongaars slachtoffer en een Hongaars vonnis waarbij de verplichting tot betaling van alimentatie is opgelegd. Daarnaast kan de overlevering voor de overige in het EAB genoemde feiten wel worden toegestaan, aldus de officier van justitie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet, gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten, af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg dient te worden gegeven aan het EAB, nu specifiek voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) in Hongaarse detentie-instellingen. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de familie van de Hongaarse aangeefster in de zaak tegen de opgeëiste persoon de macht en middelen heeft om hem tijdens zijn detentie in Hongarije iets aan te doen. De opgeëiste persoon stelt dat hij eerder in opdracht van de familie van aangeefster (zijn ex-vrouw) is ontvoerd en dat de Hongaarse justitie niets met die zaak heeft gedaan vanwege de invloed die de familie van aangeefster heeft.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, nu niet is aangetoond dat in Hongaarse detentie-instellingen een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 Handvest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat, alvorens een individueel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling kan worden aangenomen, een algemeen gevaar van een schending van dit recht moet worden vastgesteld.<footnote-ref linkend="_c71cdd35-76e3-48ea-9f43-2319f95f17d7" /> De werkwijze voor het vaststellen van een dergelijk algemeen gevaar is als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen.”</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_75342481-32ee-454d-8c87-c8d6d3fae8fb" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de rechtbank niet beschikt over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit volgt dat aan gedetineerden in Hongarije onvoldoende veiligheid/bescherming tegen derden wordt geboden door de Hongaarse autoriteiten, kan de rechtbank geen algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest vaststellen. Gelet daarop komt de rechtbank ook niet toe aan een beoordeling van het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon van een dergelijke schending.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB ziet op feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd, nu een deel van de gestelde  bedreigingen zou zijn geuit vanuit Nederland, waarbij volgens het EAB tevens gebruik is gemaakt van een Nederlands telefoonnummer. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering ten aanzien van die feiten weigeren.<footnote-ref linkend="_583b12ae-448b-4f1e-bdf7-1144f980f35c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van een goede rechtsbedeling vergt dat vervolging in Hongarije plaatsvindt. Het onderzoek is in Hongarije aangevangen, het bewijs bevindt zich daar, het slachtoffer is Hongaars en Hongarije heeft met het uitvaardigen van het EAB de wens geuit om vervolging in te stellen. Daarnaast is het Nederlandse openbaar ministerie niet voornemens om vervolging in te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;</para>
    <para />
    <para>- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet, gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten, af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Feitelijke overlevering: artikel 35, derde lid, OLW <?linebreak?></title>
    <para>De raadsvrouw heeft de officier van justitie in overweging gegeven om de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, OLW uit te stellen, nu sprake is van ernstige humanitaire redenen die aan de feitelijke overlevering in de weg staan. De opgeëiste persoon is Iraniër en Hongarije heeft eerder geprobeerd om hem uit te zetten naar Iran. Het risico bestaat dat Hongarije dit nogmaals zal proberen, hetgeen gelet op de huidige situatie in Iran en de geloofsovertuiging van de opgeëiste persoon voor hem een ernstig veiligheidsrisico met zich brengt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat de vraag of ernstige humanitaire redenen aan feitelijke overlevering in de weg staan eerst aan de orde komt nadat de rechtbank over de toelaatbaarheid van de overlevering heeft beslist. In het kader van deze procedure kan de rechtbank daarom niet ingaan op de argumenten die in dit verband zijn aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 285b en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court Debrecen</emphasis> (Hongarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater,			                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en A. Pahladsingh,			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 2 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_24aff9bd-7c01-4ec4-bba2-881ce351479a" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_34b0350c-b4df-4e98-9e66-64c4992799ea" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f752cea7-c339-4fce-bf93-bdbdedfeb853" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_10f6f51f-bcdd-45d3-b5bd-b6a92881af30" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c71cdd35-76e3-48ea-9f43-2319f95f17d7" label="5">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C‑404/15 en C‑659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_75342481-32ee-454d-8c87-c8d6d3fae8fb" label="6">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C‑404/15 en C‑659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, rechtsoverweging 89.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_583b12ae-448b-4f1e-bdf7-1144f980f35c" label="7">
    <para> Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>