<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:5468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-31T07:05:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-08-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/131554-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5468">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-30T14:47:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:5468 Rechtbank Amsterdam , 24-08-2023 / 13/131554-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:5468:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie EAB Polen, o.p. met Poolse nationaliteit, verweer genoegzaamheid verworpen. Verweer artikel 12 OLW. HvJEU Tupikas en triggerend feit. De rechtbank acht het onvoldoende duidelijk of de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld. O.p. is  in eerste aanleg vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman en in hoger beroep in persoon verschenen; o.p. is in persoon verschenen bij proces dat tot de veroordeling voor het triggerend feit heeft geleid. Dus weigeringsgrond art. 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg. lijstfeiten. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:5468:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/131554-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 24 augustus 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 30 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_f301c8a7-ac12-4f77-a880-5a214acd01e6" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 27 oktober 2022 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, </emphasis>Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>wonende op het [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 12 juli 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 juli 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en wordt vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht. Hij heeft verklaard door de opgeëiste persoon te zijn gemachtigd namens hem de verdediging te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de behandeling van de zaak geschorst tot aan de zitting van 10 augustus 2023 om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn en de officier van justitie informatie op te laten vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_37a6f1fe-e624-4509-a4c3-932f13386d5a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting van 10 augustus 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 10 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, en een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van de <emphasis role="italic">District Court for Warszawa-Wola in Warsaw</emphasis> (Polen) van 30 maart 2016 (IV K 1110/13, hierna: het vonnis). Deze beslissing is in hoger beroep bevestigd door <emphasis role="italic">the Regional Court in Warsaw</emphasis> op 12 oktober 2016 (IX Ka 911/16, hierna: het arrest).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_4296d6ad-a223-46b5-8656-78ef0e8acd02" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2, tweede lid, onder c, OLW, omdat sprake is van een onjuiste grondslag. Niet het vonnis van 30 maart 2016, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, maar de beslissing van 18 november 2020 waarbij de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf is bevolen, dient de grondslag voor het EAB te vormen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank volgt de raadsman niet in dit verweer. Uit het EAB blijkt duidelijk dat de overlevering wordt gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de straf, die bij het vonnis van 30 maart 2016 voorwaardelijk is opgelegd en waarvan bij de latere uitspraak de tenuitvoerlegging is bevolen. Van een onjuiste grondslag, of strijd met het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder c, OLW, is dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat op basis van het EAB en de aanvullende informatie niet blijkt dat de opgeëiste persoon is verschenen bij de beslissing van 18 november 2020 tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, en niet kan worden vastgesteld dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om bij de behandeling van die zaak aanwezig te zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan, omdat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.<footnote-ref linkend="_d227e5b2-c419-48eb-9060-b3ef447497a2" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB blijkt niet eenduidig of de zaak ook in hoger beroep ten gronde is behandeld. De rechtbank zal daarom zekerheidshalve zowel het proces in eerste aanleg als in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Met betrekking tot het vonnis en het arrest</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op basis van het EAB, de aanvullende informatie en hetgeen de opgeëiste persoon hierover heeft verklaard, stelt de rechtbank ten aanzien van het proces in eerste aanleg vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure die tot het vonnis heeft geleid, maar dat hij – op de hoogte van het voorgenomen proces – in deze procedure een door hem gekozen advocaat heeft gemachtigd namens hem de verdediging te voeren en dat deze advocaat op de zitting ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Daarmee is voor de procedure in eerste aanleg sprake van een omstandigheid als genoemd in artikel 12, sub b, OLW en staat deze weigeringsgrond niet aan overlevering in de weg.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van het hoger beroep is gebleken dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich in deze procedure dus niet voor.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Met betrekking tot de beslissing van 18 november 2020</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts stelt de rechtbank vast dat de vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon was opgelegd en dat bij de beslissing van 18 november 2020 van <emphasis role="italic">the District Court of Warszawa-Wola in Warsaw</emphasis> (IV K 1110/13) de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf is bevolen vanwege twee veroordelingen voor nieuwe strafbare feiten (V K 620/18 en IV K 405/20).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_2b2e1e47-2e3a-4265-96b3-a625515cb6da" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit en die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 9 augustus 2023 blijkt dat de beslissingen tot veroordeling voor de nieuwe strafbare feiten en de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf gelijktijdig en door dezelfde rechter zijn genomen en uitgesproken. Hieruit leidt de rechtbank af dat de zaken gezamenlijk zijn behandeld en de informatie over de omzettingsprocedure (IV K 1110/13) ook ziet op de veroordelingen voor de nieuwe strafbare feiten. Nu de aanvullende informatie van 12 juli 2023 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot de omzettingsbeslissing van 18 november 2020 heeft geleid, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank dus ook voor de veroordelingen voor de nieuwe strafbare feiten en is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing op de procedures die tot deze veroordelingen hebben geleid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het bepaalde in artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division </emphasis>(Polen), voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J. van Zijl en A.K. Glerum,                				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden,	                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 augustus 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f301c8a7-ac12-4f77-a880-5a214acd01e6" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37a6f1fe-e624-4509-a4c3-932f13386d5a" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4296d6ad-a223-46b5-8656-78ef0e8acd02" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d227e5b2-c419-48eb-9060-b3ef447497a2" label="4">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b2e1e47-2e3a-4265-96b3-a625515cb6da" label="5">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>