<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:5281</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-28T15:40:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/031194-23 (was 13/751547-16)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5281">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5281</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-28T15:37:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:5281 Rechtbank Amsterdam , 28-06-2023 / 13/031194-23 (was 13/751547-16)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:5281:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EAB ter tenuitvoerlegging van een vonnis - gelijkstelling van de opgeëiste persoon aan een Nederlander in de zin van artikel 6 OLW - verjaring in de zin van artikel 9 OLW van de tenuitvoerlegging van het Poolse vonnis naar Nederlands recht; rechtbank ziet niet af van de toepassing van deze weigeringsgrond - weigering van de overlevering zonder overname van de in Polen opgelegde gevangenisstraf.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:5281:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/031194-23 (was 13/751547-16) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 28 juni 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_c9d624e1-2cac-41dd-bb37-d803f2ece1b0" /> Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2012 door </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the Regional Court in Elbląg II Criminal Division</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres </para>
      <para>
        [adres]
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 6 september 2016</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, </para>
      <para>mr. F.C. Knoef, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd, om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere gegevens over zijn inkomen in 2016 te overleggen in het kader van een mogelijke gelijkstelling met een Nederlander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 14 juni 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB is met toestemming van opgeëiste persoon en de officier van justitie voortgezet in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.C. Knoef en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de Overleveringswet (OLW) op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken.<footnote-ref linkend="_5960d4b0-c6fe-45ae-8a9f-383abda3f48b" /></para>
      <para>Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Verzoek tot aanhouding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft aan de hand van zijn overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd. </para>
      <para>De Poolse advocaat van de opgeëiste persoon stelt dat sprake is van een verjaringstermijn van </para>
      <para>15 jaar naar Pools recht (2022). Dit terwijl het EAB een termijn van 25 jaar benoemt (2032). Deze verlengde verjaringstermijn van 13 september 2032 die nu in het EAB onder f) is genoemd, zou het gevolg zijn van de aanname door de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon onvindbaar is geweest. Volgens de Poolse advocaat was dit niet het geval. Om die reden is in Polen een verzoek ingediend tot het staken van de tenuitvoerlegging van het Poolse vonnis dat aan het EAB ten grondslag ligt.</para>
      <para>Primair verzoekt de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden voor de duur van </para>
      <para>vijf à zes maanden. Binnen die tijd valt te verwachten dat een beslissing is genomen op het stakingsverzoek. Subsidiair verzoekt de raadsman om de zaak voor korte duur aan te houden om aan de Poolse autoriteiten aanvullende informatie op te vragen over de in het EAB onder f.) vermelde verjaringstermijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden omdat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de door de Poolse autoriteiten genoemde verjaring per 2032.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst het primaire verzoek van de raadsman af nu er geen concrete gegevens zijn verstrekt over het door de Poolse advocaat ingediende verzoek tot staking van de tenuitvoerlegging. De enkele mededeling dat hierover over vijf à zes maanden een beslissing te verwachten valt, is hiervoor onvoldoende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt over het subsidiaire verzoek als volgt. In het EAB onder f.) staat dat de tenuitvoerlegging van het vonnis op 13 september 2032 verjaart. De rechtbank gaat - behoudens uitzonderingen - op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de juistheid van deze informatie. Door de verdediging zijn hier vraagtekens bij gezet, maar er zijn voor de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat aan de verstrekte informatie moet worden getwijfeld en daarom nadere informatie moet worden opgevraagd. </para>
      <para>De opgeëiste persoon staat weliswaar vanaf 9 februari 2012 onafgebroken in Nederland ingeschreven, maar niet uit te sluiten valt dat de opgeëiste persoon, nadat het Poolse vonnis op 10 juli 2007 is gewezen, voor de Poolse autoriteiten onvindbaar is geweest. </para>
      <para>De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de zaak aan te houden om nadere informatie over de Poolse verjaringstermijn op te vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van 10 juli 2007 van <emphasis role="italic">the District Court in Elbląg</emphasis>, met kenmerk VIII K 72/07.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft bij zijn verhoor door de officier van justitie op 2 juli 2016 verklaard dat  hij aanwezig was bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en </para>
      <para>29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_3d8a500a-c82c-403c-80b8-ebfc972f8548" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het proces-verbaal van de zitting van 6 september 2016 blijkt dat de rechtbank de behandeling van de zaak heeft aangehouden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere gegevens over zijn inkomen van het jaar 2016 te overleggen in het kader van een mogelijke gelijkstelling met een Nederlander. </para>
      <para>Ook blijkt uit dit proces-verbaal dat de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) een advies heeft uitgebracht waaruit blijkt dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht zal verliezen als gevolg van de veroordeling in Polen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partijstandpunten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman en de officier van justitie vinden op grond van de (inmiddels) over de periode van 2012 tot en met 2016 door de verdediging overgelegde stukken dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd wanneer deze is verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eerste voorwaarde </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal ten aanzien van de periode van 2012 tot en met 2016 niet uitgaan van een voortdurend rechtmatig verblijf. De rechtbank beschikt over te weinig inkomensgegevens van de opgeëiste persoon over het jaar 2016.</para>
      <para>De rechtbank is echter wel van oordeel dat de opgeëiste persoon op grond van de overgelegde inkomensgegevens over de jaren 2018 tot en met 2023 én op grond van zijn onafgebroken inschrijving in Nederland vanaf 9 februari 2012, heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. Daarmee heeft de opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht verworven. Aan de eerste voorwaarde is daarmee voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel. Uit de e-mail van de IND van 26 mei 2023 volgt dat verblijfsbeëindiging als gevolg van de veroordeling in Polen niet te verwachten valt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook aan deze voorwaarde is voldaan. Dit betekent dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">7.  	Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft primair aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de tenuitvoerlegging van het vonnis naar Nederlands recht is verjaard.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis naar Nederlands recht niet is verjaard. De verjaringstermijn naar Nederlands recht bedraagt 16 jaar, omdat sprake is van medeplegen van diefstal. De tenuitvoerlegging van het vonnis verjaart naar Nederlands recht op 10 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW luidt:  </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging, of, zo de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, geen bestraffing meer kan plaatshebben. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 6:1:22 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">1. Na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn wordt de straf of maatregel niet ten uitvoer gelegd.</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <bridgehead role="italic">2. De tenuitvoerleggingstermijn is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering.</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 6:1:23, eerste lid, Sv luidt: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1. De tenuitvoerleggingstermijn gaat in op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak of de strafbeschikking ten uitvoer kan worden gelegd.</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 70, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1°. in drie jaren voor alle overtredingen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander ertoe leidt dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat uit de Poolse feitsomschrijving in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon veroordeeld is voor medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd. Op dit feit staat naar Nederlands recht, op grond van artikel 70 Sr, een verjaringstermijn van 6 jaar. Op grond van artikel 6.1.22, tweede lid, Sv, moet daar voor het berekenen van de tenuitvoerleggingstermijn, een derde, dus 2 jaar, bij worden opgeteld. Dit betekent dat de tenuitvoerleggingstermijn voor de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld, 8 jaar betreft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon is bij vonnis van 10 juli 2007 van <emphasis role="italic">the District Court in Elbląg</emphasis> veroordeeld. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de tenuitvoerleggingstermijn met ingang van 11 juli 2015 is verstreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit heeft tot gevolg dat de facultatieve weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS bedoelde facultatieve grond.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij het volgende van belang.</para>
      <para>De feiten zijn in de periode van juni tot en met september 2006 gepleegd. Het vonnis dateert van 10 juli 2007 en op 10 februari 2012 is een EAB uitgevaardigd. De opgeëiste persoon heeft sinds zijn verblijf in Nederland vanaf 2012 hier zijn leven opgebouwd.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is en dat, overeenkomstig artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW in samenhang bezien met artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS, de verjaring naar Nederlands recht in de weg kan staan aan overname van de tenuitvoerlegging van de straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die regelingen. De overlevering wordt geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47 en 321 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 9 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Elbląg II Criminal Division</emphasis> (Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.P.W. Helmonds,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. R. Godthelp en L. Sanders,                      						  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 juni 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c9d624e1-2cac-41dd-bb37-d803f2ece1b0" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5960d4b0-c6fe-45ae-8a9f-383abda3f48b" label="2">
    <para> Zie artikel 22 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d8a500a-c82c-403c-80b8-ebfc972f8548" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>