<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:5269</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-23T15:10:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-007352 en 23-007353</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5269">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5269</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-23T14:18:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:5269 Rechtbank Amsterdam , 05-07-2023 / 23-007352 en 23-007353</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:5269:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot schadevergoeding ex artikel 67 OLW - geen gevolg geven aan het EAB kan in deze zaak worden gelijkgesteld aan een beslissing als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW, strekkende tot weigering van de overlevering - verzoek tot schadevergoeding toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:5269:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/204326-22</para>
      <para>RK nummers: 23-007352 en 23-007353</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">BESCHIKKING</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1981,</para>
      <para>te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,</para>
      <para>mr. H.W. van Eeuwijk, [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 20 maart 2023, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 18 januari 2023 waarin geen gevolg is gegeven aan het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 5 juli 2023 de raadsman van verzoeker, mr. H.W. van Eeuwijk en de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet verschenen, hoewel hij behoorlijk is opgeroepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoeken zijn tijdig ingediend en ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Voorgeschiedenis</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Op 11 juli 2022 is door <emphasis role="italic">the prosecutor’s office of the appeal court of Thessaloniki </emphasis>(Griekenland) een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Griekenland, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek;</para>
    <para />
    <para>- Op 12 augustus 2022 is verzoeker aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB;</para>
    <para />
    <para>- Op vordering van de officier van justitie van 26 augustus 2022 is het overleveringsverzoek behandeld op de zittingen van 4 oktober 2022, 2 november 2022 en </para>
    <para>4 januari 2023;</para>
    <para />
    <para>- Bij uitspraak van deze rechtbank van 18 januari 2023<footnote-ref linkend="_16bbfd20-ddd6-424c-8839-8a9a320c9119" /> is met toepassing van artikel 11, eerste lid OLW geen gevolg gegeven aan het EAB. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Verzoeken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- € 16.120,- <emphasis role="bold">€ 16.120,-</emphasis> voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:	</para>
    <para>4 dagen politiebureau: 4 x € 130,- = € 520,- </para>
    <para>156 dagen Huis van Bewaring: 156 x € 80,- = € 15.600,-</para>
    <para />
    <para>- € 680,- <emphasis role="bold">€ 680,-</emphasis> voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoek zijn gemaakt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding op grond van artikel 67 OLW toekomt, omdat geen gevolg is gegeven aan het EAB in verband met de detentieomstandigheden in Griekenland. Deze beslissing kan in dit verband worden gelijkgesteld met een weigering van de overlevering als bedoeld in artikel 67 OLW. De raadsman verwijst naar de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2021<footnote-ref linkend="_250d0e1f-e09f-465a-a36b-09e2c6e2eac0" />. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Standpunt van het openbaar ministerie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken kunnen worden toegewezen.  <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Toetsingskader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Oordeel van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli 2018<footnote-ref linkend="_3c810174-8c90-4070-ad87-66c08b4d8c95" />, bevestigd bij beschikkingen van het gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2019.<footnote-ref linkend="_31773d82-ef12-4f44-b286-8530817ab498" /> In deze beschikkingen heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een weigering van de overlevering tot de vaststelling leidt dat de verzoeker achteraf bezien ten onrechte gedetineerd is geweest, en dat deze vaststelling - waarmee geen oordeel over het onrechtmatig of verwijtbaar handelen van de Nederlandse Staat is gegeven - vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW in beginsel toewijsbaar maakt. Het ten onrechte gedetineerd zijn geweest leidt er immers toe dat het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de vrijheidsbeneming niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar door de Staat worden gedragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de overleveringszaak van verzoeker is bij uitspraak van 18 januari 2023 met toepassing van artikel 11, eerste lid OLW geen gevolg aan het EAB  gegeven omdat er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestond, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).  De Griekse autoriteiten hadden niet binnen een redelijke termijn gegevens verstrekt op basis waarvan de rechtbank dat reële gevaar voor de opgeëiste persoon kon uitsluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de door de opgeëiste persoon op grond van het EAB ondergane overleveringsdetentie - achteraf bezien -  als onterecht ondergaan dient te worden aangemerkt. </para>
      <para>De reden dat de overleveringsprocedure is geëindigd in het geen gevolg geven aan het EAB en niet in een weigering van de overlevering is gelegen in de omstandigheid dat er sprake is van een situatie als genoemd in artikel 11 van de OLW gelezen in samenhang met het arrest van <emphasis role="italic">Aranyosi </emphasis>en<emphasis role="italic"> Căldăraru</emphasis><footnote-ref linkend="_481b5d95-65c1-43d9-992d-fc795143ef57" /> (die niet onder de limitatieve weigeringsgronden van Kaderbesluit 2002/584/JBZ valt). Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitspraak in deze zaak daarom worden gelijkgesteld aan een beslissing als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW, strekkende tot weigering van de overlevering.<footnote-ref linkend="_b47ed916-bddb-48c7-8f2e-7cc255d6e12a" /> Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het billijk om de verzoeken tot schadevergoeding geheel toe te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank <emphasis role="bold">WIJST TOE </emphasis>de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- € 16.120,-, - <emphasis role="bold">€ 16.120,-, -</emphasis> vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en</para>
    <para />
    <para>- € 680,- <emphasis role="bold">€ 680,-</emphasis> voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoek zijn gemaakt. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juli 2023 door</para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater,	  				                         	voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders,			   		               rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                         	    griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van <emphasis role="bold">€ 16.800,- (zestienduizend en achthonderd euro)</emphasis> op</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>IBAN/rekeningnummer			</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [rekeningnummer] </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ten name van H.W. van Eeuwijk in Den Haag </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>onder vermelding van </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">vergoeding 67 OLW, 533 en 530  Sv, [verzoeker] (2023.0031).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan op 5 juli 2023</para>
      <para>door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_16bbfd20-ddd6-424c-8839-8a9a320c9119" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2023:1897</para>
  </footnote>
  <footnote id="_250d0e1f-e09f-465a-a36b-09e2c6e2eac0" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2021:7847</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c810174-8c90-4070-ad87-66c08b4d8c95" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2018:5339 respectievelijk ECLI:NL:RBAMS:2018:5343.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31773d82-ef12-4f44-b286-8530817ab498" label="4">
    <para> ECLI:NL:GHAMS:2019:2617 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2019:2616.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_481b5d95-65c1-43d9-992d-fc795143ef57" label="5">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b47ed916-bddb-48c7-8f2e-7cc255d6e12a" label="6">
    <para> Vgl. ECLI:NL:RBAMS:2021:7847.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>