<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:4979</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-04T13:08:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/108774-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4979">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4979</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-04T11:12:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:4979 Rechtbank Amsterdam , 12-07-2023 / 13/108774-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:4979:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:4979:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/108774-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 12 juli 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 26 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_a68a94b9-b0f5-46bb-80f1-0cd7015f654d" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 7 september 2022 door <emphasis role="italic">the District Court in Wroclaw</emphasis> (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1994, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[BRP-adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juni 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Schreudering, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_fb2a7e28-00c6-4328-865c-b5315ab75198" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse en Duitse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">final and binding cumulative judgement of the Regional Court in Olawa of 21 December 2020 (II K 703/20), upheld by the judgement of the District Court in Wroclaw of 26 May 2021 (IV Ka 189/21).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vier maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde <emphasis role="italic">cumulative judgement </emphasis>(hierna: het verzamelvonnis). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_6d85b7ee-1370-4f62-9c28-b44c1263e7fa" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het EAB vermeldt in onderdeel (f) dat in het verzamelvonnis straffen zijn samengevoegd, die zijn opgelegd bij:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">the judgement of the Regional Court in Olawa, II Penal Department of 20 April 2018, (II K 169/18)</emphasis>;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">the judgement of the Regional Court in Olawa, II Penal Department, of 7 September 2020 (II K 1032/19)</emphasis>.<footnote-ref linkend="_e6dbb518-0d99-4bdb-81d3-181fddb77c9c" /></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het verzamelvonnis </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het EAB vermeldt dat tegen het verzamelvonnis van<emphasis role="italic"> the Regional Court in Olawa of </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">21 December 2020</emphasis> hoger beroep is ingesteld en dat <emphasis role="italic">the District Court in Wroclaw</emphasis> hierop heeft beslist bij <emphasis role="italic">judgement </emphasis>van 26 mei 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In onderdeel (d) van het EAB is de volgende informatie verstrekt over deze procedure:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">No. this person did not appear in person at the hearing, as a result of which ruling was made.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b. the person concerned was not summoned in person but was otherwise officially informed of the date and place of the hearing, which led to rendering of a decision, which explicitly allows to assume that he/she was notified of the appointed hearing, and was also informed that a decision may be rendered in absentia, should he/she fail to appear at a hearing;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">c. having been informed of the hearing the person concerned granted the power of attorney to a defence counsel, who was chosen by him/her or to a court-appointed public defender, to defend him/her at a hearing, and the defence counsel did defend him/her at a hearing;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [opgeëiste persoon] did not participate in the hearing during which the cumulative judgement was rendered. However, the sentenced person had been appropriately informed of the date of the hearing. His defence counsel of choice appeared, who was authorised to his defence in the case of rendering a cumulative judgement. The defence counsel, while acting on behalf of the sentenced person lodged an appeal against the judgement and was present at the appeal proceedings during which the judgement of the Appeal Court was rendered, which upheld the challenged judgement of the I Instance Court.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. Volgens de officier van justitie is deze weigeringsgrond niet van toepassing omdat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder b OLW.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank kan niet vaststellen dat in de verzamelprocedure in hoger beroep, na een onderzoek in feite en in rechte, definitief is geoordeeld over de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf. Zij zal derhalve zowel het verzamelvonnis in eerste aanleg als het verzamelvonnis in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.   </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg en in hoger beroep niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat maakt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is op beide procedures, tenzij zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan of een verklaring is verstrekt als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven informatie voldoende blijkt dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft voorgedaan. Hieruit volgt namelijk dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg en in hoger beroep op de hoogte was van het voorgenomen proces en een door hem gekozen advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren. Verder volgt uit de verstrekte informatie dat die advocaat ook tijdens het proces in eerste aanleg en in hoger beroep daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Uit de toelichting blijkt immers dat de advocaat in beide instanties aanwezig was op de zitting. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing ten aanzien van het verzamelvonnis in eerste aanleg en in hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Onderliggende vonnissen</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft tijdens zijn voorgeleiding bij de officier van justitie op 26 april 2023 het volgende verklaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Ik ben wel aanwezig geweest bij de zittingen in de onderliggende strafzaken. De zaak waarin anderhalf jaar is opgelegd en de zaak waarin zes maanden is opgelegd. “</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op de zitting van 28 juni 2023 heeft de opgeëiste persoon deze verklaring (via zijn raadsman) bevestigd ten aanzien van het vonnis van<emphasis role="italic"> the Regional Court in Olawa, II Penal Department </emphasis>van 20 april 2018. Ten aanzien van het vonnis van<emphasis role="italic"> the Regional Court in Olawa, II Penal Department </emphasis>van 7 september 2020 heeft hij echter gesteld dat hij niet aanwezig was op de zitting, omdat hij toen al in Nederland was.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank leidt uit de verklaringen van de opgeëiste persoon af dat hij in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van<emphasis role="italic"> the Regional Court in Olawa, II Penal Department </emphasis>van 20 april 2018 heeft geleid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wat betreft zijn aanwezigheid op zitting heeft de opgeëiste persoon wisselende verklaringen afgelegd ten aanzien van het vonnis van<emphasis role="italic"> the Regional Court in Olawa, II Penal Department, </emphasis>van 7 september 2020. De rechtbank gaat uit van de verklaring van de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor door de officier van justitie en dus van zijn aanwezigheid op de zitting. Die verklaring is betrouwbaar, omdat de opgeëiste persoon ook de straf heeft genoemd die in die zaak is opgelegd. De latere ontkenning is daarentegen niet onderbouwd. Zo heeft de opgeëiste persoon geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij destijds in Nederland was. De rechtbank concludeert dat de opgeëiste persoon eveneens in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit laatstgenoemde vonnis heeft geleid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW evenmin van toepassing op de onderliggende vonnissen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten I en II aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten III en IV niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">(medeplegen van) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">zware mishandeling.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_3cb98e7d-9d4b-4c12-9230-8d0e18dae6a4" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_efd871ac-6a82-4d3f-9126-1b04f0b1fade" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47, 285 en 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court in Wroclaw</emphasis> (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater,	                                                                    voorzitter,</para>
      <para>mrs. J. van Zijl en L. Sanders,	                                             rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten,				                               griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a68a94b9-b0f5-46bb-80f1-0cd7015f654d" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb2a7e28-00c6-4328-865c-b5315ab75198" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6d85b7ee-1370-4f62-9c28-b44c1263e7fa" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6dbb518-0d99-4bdb-81d3-181fddb77c9c" label="4">
    <para>De vonnissen van 20 april 2018 en 7 september 2020 zal de rechtbank hierna (ook) de onderliggende vonnissen noemen</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3cb98e7d-9d4b-4c12-9230-8d0e18dae6a4" label="5">
    <para>Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_efd871ac-6a82-4d3f-9126-1b04f0b1fade" label="6">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>