<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:4906</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-31T11:20:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/070381-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4906">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4906</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-03T14:06:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:4906 Rechtbank Amsterdam , 27-07-2023 / 13/070381-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:4906:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, tussenuitspraak, artikel 12 OLW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:4906:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/070381-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 27 juli 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">        TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 31 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_98a7b24f-c7d9-4efd-9a4f-9657bf9d02b7" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 10 mei 2022 door <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1990, </para>
      <para>	verblijfadres: [adres 1] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 juli 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_ebb26905-edcf-4393-9681-f810ccaea72f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt in onderdeel B als grondslag:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“final and enforceable judgment:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">rendered by the District Court of Law in Walbrzych, file reference number III K 753/16, on the 9th of March 2017. The combined judgment (cumulative sentence) became final and legally valid on the 7th of July 2017. This judgment was upheld by the Judgment rendered by the Circuit Court of Law in Swidnica on the 7th of July 2017, file reference IV Ka 359/17.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In regard to the case of District Court of Law in Walbrzych, of file reference III K 317/16 - included into the above-described combined judgment (cumulative sentence) - in the judicial decision issued by the Circuit Court of Law in Opole on the 18th of July 2017, file reference IV Kow 2026/17/pr, the said sentenced person was granted a temporary release from serving the prison sentence and after the combined judgment (cumulative sentence) was rendered in case III K 753/16 - in the judicial decision dated the 27th of September 2017, file reference IV Kow 2026/17/pr, the Circuit Court of Law in Opole changed the above­mentioned judicial decision by ruling that the said sentenced person was granted a temporary release from serving the cumulative prison sentence of 3 years and 6 months imposed on him under the combined Judgment rendered by the District Court of Law in Walbrzych on the 9th of March 2017 in case III K 763/16. The judicial decision became final and legally valid on the 28th of October 2017.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, vier maanden en 17 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde <emphasis role="italic">combined judgement</emphasis> van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych</emphasis> van </para>
      <para>9 maart 2017, gehandhaafd bij het <emphasis role="italic">judgement </emphasis>van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica </emphasis>van </para>
      <para>7 juli 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze <emphasis role="italic">judgements</emphasis> betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_d804e1f8-0607-4ae8-ba87-ba4e25ebd01d" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">wederspannigheid;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal</emphasis>.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de in het EAB en in de aanvullende brieven door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie maakt de rechtbank op dat de hiervoor in rubriek 3 vermelde gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden een verzamelstraf is en dat die verzamelstraf is opgelegd in een procedure, waarbij ook sprake is geweest van een beslissing in beroep. Verder blijkt dat die verzamelstraf een samenvoeging van straffen betreft die aan de opgeëiste persoon zijn opgelegd in meerdere voorgaande strafprocedures. In die onderliggende strafprocedures is ook weer sprake geweest van een verzamelvonnis en van beroepsprocedures.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de verzamelstraffen geldt dat als sprake is van wijziging van de duur van eerder onherroepelijk opgelegde straffen en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt, de rechterlijke beslissing waarbij de verzamelstraf is opgelegd, moet worden getoetst aan artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en aan artikel 12 van de OLW (HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (<emphasis role="italic">Zdziaszek</emphasis>)). Uit dit arrest volgt dat de bevoegde autoriteit bij Poolse verzamelvonnissen een beoordelingsmarge heeft met betrekking tot de duur van de verzamelstraf en dat Poolse verzamelvonnissen, die de duur van de opgelegde straffen wijzigen, dus altijd aan artikel 12 OLW moeten worden getoetst. De rechtbank zal dat in deze zaak dus ook moeten doen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit voornoemd arrest volgt dat ook de aan verzamelvonnissen ten grondslag liggende uitspraken, waarin onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd, moeten worden getoetst aan artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en aan artikel 12 van de OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder geldt ten aanzien van de beroepsprocedures dat als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (HvJ EU 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628 (<emphasis role="italic">Tupikas</emphasis>)). De rechtbank zal aan de hand van informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten beoordelen of de beroepsprocedures moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal hieronder nader ingaan op de verschillende strafprocedures. De rechtbank zal eerst de procedure bespreken die heeft geleid tot de oplegging van de verzamelstraf, die de grondslag vormt voor het verzoek om overlevering. Vervolgens zal de rechtbank de onderliggende procedures bespreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Verzamelvonnis van 9 maart 2017 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 753/16) en arrest van 7 juli 2017 van the Circuit Court of Law in Swidnica (IV Ka 359/17)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het vonnis van 9 maart 2017 van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych</emphasis> (III K 753/16). Dit vonnis is gehandhaafd bij het arrest van 7 juli 2017 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 359/17).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet in dit geval beoordelen of het arrest van 7 juli 2017, zijnde de beslissing op het beroep van de opgeëiste persoon tegen het verzamelvonnis van 9 maart 2017, moet worden getoetst aan artikel 12 OLW dan wel het vonnis in eerste aanleg van 9 maart 2017. Over het arrest van 7 juli 2017 is de volgende informatie verstrekt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“In each case</emphasis>
      </para>
      <para>- <emphasis role="italic">of reference IV Ka 359/17</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the proceedings were finalised before the Circuit Court of Law in Swidnica which as the Court of 2nd instance has last ruled on the guilt of [opgeëiste persoon] and the penalty imposed on him.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de mededeling dat <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica </emphasis>heeft geoordeeld over de straf begrijpt de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, dat in beroep een (verzamel)straf is opgelegd en dat alleen de beslissing in beroep dus moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. De rechtbank gaat overigens voorbij aan de mededeling dat <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica </emphasis>heeft geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon, nu de procedure ziet op het opleggen van een verzamelstraf en daarbij niet meer wordt geoordeeld over de schuld. Dit volgt uit het arrest <emphasis role="italic">Zdziaszek</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsman, vast dat de opgeëiste persoon in beroep niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat maakt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, tenzij zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan of de uitvaardigende justitiële autoriteit een verklaring als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW heeft verstrekt. </para>
      <para>De raadsman vindt primair dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is op de beslissing in beroep. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vindt primair dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW van toepassing is op de beslissing in beroep en dat de weigeringsgrond van dit artikel dus niet van toepassing is. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt op basis van de verstrekte informatie het volgende vast:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>op de zitting in eerste aanleg van 28 februari 2017 waren de opgeëiste persoon en zijn advocaat aanwezig;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de advocaat van de opgeëiste persoon heeft beroep ingesteld tegen het vonnis van </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>9 maart 2017;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon was niet aanwezig op de zitting in beroep op 7 juli 2017;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>er is een oproeping voor de zitting van 7 juli 2017 gestuurd, waarbij is vermeld dat de aanwezigheid van de opgeëiste persoon op zitting niet verplicht was;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>niet is gebleken dat bij de oproeping voor de zitting in beroep een adresinstructie is gegeven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon was destijds gedetineerd in Polen en hij is niet aangevoerd naar de zitting omdat hij te laat een verzoek daartoe heeft ingediend (na de in de wet  voorgeschreven termijn);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon heeft een verzoek ingediend om een <emphasis role="italic">ex-officio legal counselor</emphasis> toegewezen te krijgen en dat verzoek is ingewilligd door een rechter;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de advocaat van de opgeëiste persoon was wel aanwezig op de zitting in beroep op      7 juli 2017.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om te kunnen concluderen dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW moet de rechtbank vaststellen dat:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren en </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>dat die advocaat tijdens het proces zijn verdediging daadwerkelijk heeft gevoerd. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank vindt dat uit de verstrekte informatie voldoende blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de verstrekte informatie kan de rechtbank echter niet opmaken of de opgeëiste persoon de advocaat ook heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en of die advocaat de verdediging heeft gevoerd. In dit verband heeft de officier van justitie de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Was Mr [opgeëiste persoon] in contact with his appointed ex officio lawyer who represented him at the hearing that resulted in the judgment of 7 July 2017, reference IV Ka 359/17, of the Circuit Court of Law in Swidnica?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierop heeft <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych</emphasis> geantwoord hierover geen kennis te hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de vragen of de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren en of die advocaat de verdediging heeft gevoerd in de beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van 7 juli 2017 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 359/17) niet expliciet zijn gesteld. De rechtbank vindt dat die vragen alsnog moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank zal (mede) hierom het onderzoek heropenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Vonnis van 5 oktober 2016 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 441/16)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid en evenmin heeft zich één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden voorgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman vindt dat de overlevering ten aanzien van dit vonnis moet worden geweigerd.</para>
      <para>De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond ten aanzien van dit vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt op basis van de in het EAB verstrekte informatie het volgende vast:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon heeft tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek een correspondentieadres opgegeven aan de autoriteiten ( [adres 2] );</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon is voorafgaand aan zijn eerste verhoor gewezen op zijn rechten en plichten als verdachte in een strafprocedure;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de beschuldiging met informatie, waaronder de adresinstructie (artikel 139 van het Poolse Wetboek van Strafvordering), is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd, maar na twee pogingen niet door de opgeëiste persoon in ontvangst genomen en geretourneerd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de oproeping voor de zitting van 5 oktober 2016 is ook naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd, maar na twee pogingen niet door de opgeëiste persoon in ontvangst genomen en geretourneerd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon is niet verschenen op de zitting van 5 oktober 2016;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>op 10 november heeft de advocaat van de opgeëiste persoon beroep ingesteld tegen het vonnis van 5 oktober 2016;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het beroep is niet in behandeling genomen, omdat het te laat is ingediend.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet in de hiervoor weergegeven gang van zaken vooralsnog onvoldoende basis om te kunnen afzien van weigering. Niet is duidelijk of de plichten van een verdachte in een strafprocedure waarop de opgeëiste persoon voorafgaand aan zijn eerste verhoor is gewezen ook de zogenoemde adresinstructie omvat. Deze vraag moet alsnog aan de uitvaardigende justitiële autoriteit worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Verzamelvonnis van 27 september 2016 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 317/16) en arrest van 16 december 2016 van the Circuit Court of Law in Swidnica (IV Ka 790/16)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis van 27 september 2016 en het arrest van 16 december 2016 betreffen de oplegging van een verzamelstraf. Die verzamelstraf ziet op straffen die zijn opgelegd in twee hierna te bespreken procedures, te weten: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 18 juni 2015 van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych </emphasis>(III K 1142/14) en het arrest van 17 november 2015 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 729/15);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 29 juni 2016 van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych</emphasis> (III K 107/16).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet ook in dit geval beoordelen of het arrest van 16 december 2016, zijnde de beslissing op het beroep van de opgeëiste persoon tegen het verzamelvonnis van </para>
      <para>27 september 2016, moet worden getoetst aan artikel 12 OLW dan wel het vonnis in eerste aanleg van 27 september 2016. Over het arrest van 16 december 2016 is de volgende informatie verstrekt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“In each case</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
      </para>
      <para>- <emphasis role="italic">of reference IV Ka 790/16;</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the proceedings were finalised before the Circuit Court of Law in Swidnica which as the Court of 2nd instance has last ruled on the guilt of [opgeëiste persoon] and the penalty imposed on him.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de mededeling dat <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica </emphasis>heeft geoordeeld over de straf begrijpt de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, dat in beroep een (verzamel)straf is opgelegd en dat alleen de beslissing in beroep dus moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. De rechtbank gaat wederom voorbij aan de mededeling dat <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica </emphasis>heeft geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon, nu de procedure ziet op het opleggen van een verzamelstraf en daarbij niet meer wordt geoordeeld over de schuld. Dit volgt uit het arrest <emphasis role="italic">Zdziaszek.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsman, vast dat de opgeëiste persoon in beroep niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat maakt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is tenzij zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan of de uitvaardigende justitiële autoriteit een verklaring als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW heeft verstrekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman vindt primair dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is op de beslissing in beroep. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld. </para>
      <para>De officier van justitie vindt primair dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW van toepassing is op de beslissing in beroep en dat de weigeringsgrond van dit artikel dus niet van toepassing is. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt op basis van de verstrekte informatie het volgende vast:</para>
    </parablock>
    <para>- de advocaat van de opgeëiste persoon heeft beroep ingesteld tegen het vonnis van </para>
    <para>27 september 2016;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon was niet aanwezig op de zitting in beroep op 16 december 2016;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>er is een oproeping voor de zitting van 16 december 2016 gestuurd, waarbij is vermeld dat de aanwezigheid van de opgeëiste persoon op zitting niet verplicht was;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>niet is gebleken dat bij de oproeping voor de zitting in beroep een adresinstructie is gegeven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon was destijds gedetineerd in Polen en hij is niet aangevoerd naar de zitting;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon heeft een verzoek ingediend om een <emphasis role="italic">ex-officio legal counselor</emphasis> toegewezen te krijgen en dat verzoek is ingewilligd door een rechter;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de advocaat van de opgeëiste persoon was wel aanwezig op de zitting in beroep op      16 december 2016.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toetsend of sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW vindt de rechtbank dat uit de verstrekte informatie voldoende blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de verstrekte informatie kan de rechtbank echter niet opmaken of de opgeëiste persoon de advocaat ook heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren noch dat die advocaat de verdediging heeft gevoerd. In dit verband heeft de officier van justitie de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Was Mr [opgeëiste persoon] in contact with his appointed ex officio lawyer who represented him at the hearing that resulted in the judgment of  16 december 2016, reference IV Ka 790/16, of the Circuit Court of Law in Swidnica?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierop heeft <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych</emphasis> geantwoord hierover geen kennis te hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de vragen of de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren en of die advocaat de verdediging heeft gevoerd in de beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van 16 december 2016 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 790/16) niet expliciet zijn gesteld. De rechtbank vindt dat die vragen alsnog moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank zal (mede) hierom het onderzoek heropenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Vonnis van 18 juni 2015 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 1142/14) en arrest van 17 november 2015 van the Circuit Court of Law in Swidnica (IV Ka 729/15)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal vervolgens de procedure bespreken die heeft geleid tot het vonnis van </para>
      <para>18 juni 2015 van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych </emphasis>(III K 1142/14) en het arrest van </para>
      <para>17 november 2015 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 729/15).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet beoordelen of het arrest van 17 november 2015, zijnde de beslissing op het beroep van de opgeëiste persoon tegen het vonnis van 18 juni 2015, moet worden getoetst aan artikel 12 OLW dan wel het vonnis in eerste aanleg van 18 juni 2015. Over het arrest van 17 november 2015 is de volgende informatie verstrekt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“In each case</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
      </para>
      <para>- <emphasis role="italic">of reference IV Ka 729/15;</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the proceedings were finalised before the Circuit Court of Law in Swidnica which as the Court of 2nd instance has last ruled on the guilt of [opgeëiste persoon] and the penalty imposed on him.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de mededeling dat <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica </emphasis>heeft geoordeeld over schuld en  straf begrijpt de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, dat alleen de beslissing in beroep moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsman, vast dat de opgeëiste persoon in beroep niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat maakt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is tenzij zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan of de uitvaardigende justitiële autoriteit een verklaring als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW heeft verstrekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman vindt primair dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is op de beslissing in beroep. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld. </para>
      <para>De officier van justitie vindt primair dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW van toepassing is op de beslissing in beroep en dat de weigeringsgrond van dit artikel dus niet van toepassing is. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt op basis van de verstrekte informatie het volgende vast:</para>
    </parablock>
    <para>- de advocaat van de opgeëiste persoon heeft beroep ingesteld tegen het vonnis van </para>
    <para>18 juni 2015;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon was niet aanwezig op de zitting in beroep op 17 november 2015;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>er is tweemaal een oproeping voor de zitting van 17 november 2015 gestuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres ( [adres 2] ), maar de opgeëiste persoon heeft de oproeping niet in ontvangst genomen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>niet is gebleken dat bij de oproeping voor de zitting in beroep een adresinstructie is gegeven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de ex officio-advocaat van de opgeëiste persoon was wel aanwezig op de zitting in beroep op 17 november 2015.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toetsend of sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW vindt de rechtbank dat uit de verstrekte informatie voldoende blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de verstrekte informatie kan de rechtbank echter niet opmaken of de opgeëiste persoon de advocaat ook heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren noch dat die advocaat zijn verdediging heeft gevoerd. In dit verband heeft de officier van justitie de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Was Mr [opgeëiste persoon] in contact with his appointed ex officio lawyer who represented him at the hearing that resulted in the judgment of  17 november 2015 of the Circuit Court of Law in Swidnica?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierop heeft <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych</emphasis> geantwoord hierover geen kennis te hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de vragen of de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren en of die advocaat de verdediging heeft gevoerd in de beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van 17 november 2015 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 729/15) niet expliciet zijn gesteld. De rechtbank vindt dat die vragen alsnog moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank zal (mede) hierom het onderzoek heropenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Vonnis van 29 juni 2016 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 107/16)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt op grond van de informatie in het EAB vast dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting die heeft geleid tot dit vonnis. Verder is niet gebleken dat beroep is ingesteld tegen dit vonnis. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing op dit vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal het onderzoek heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank draagt de officier van justitie op met het oog op de toetsing aan artikel 12 OLW de volgende vragen ter beantwoording voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Heeft de opgeëiste persoon de advocaat gemachtigd om zijn verdediging te voeren in de beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van 7 juli 2017 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 359/17) en heeft die advocaat daadwerkelijk de verdediging gevoerd in die procedure?</para>
    <para />
    <para>- Is de opgeëiste persoon in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 5 oktober 2016 van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Walbrzych</emphasis> (III K 441/16), toen hij voorafgaand aan zijn eerste verhoor werd gewezen op zijn verplichtingen als een verdachte in een strafprocedure (of op enig later moment voorafgaand aan de betekening van de oproeping), ook een zogenoemde adresinstructie (artikel 139 van het Poolse Wetboek van Strafvordering) gegeven?     </para>
    <para />
    <para />
    <para>- Heeft de opgeëiste persoon de advocaat gemachtigd om zijn verdediging te voeren in de beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van 16 december 2016 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 790/16) en heeft die advocaat daadwerkelijk de verdediging gevoerd in die procedure?</para>
    <para />
    <para>- Heeft de opgeëiste persoon de advocaat gemachtigd om zijn verdediging te voeren in de beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van 17 november 2015 van <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Swidnica</emphasis> (IV Ka 729/15) en heeft die advocaat daadwerkelijk de verdediging gevoerd in die procedure?</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT EN SCHORST </emphasis>het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 geformuleerde vragen ter beantwoording voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT </emphasis>dat de zaak uiterlijk twee weken voor het einde van de beslistermijn (die verstrijkt op <emphasis role="bold">26 augustus 2023)</emphasis> weer op zitting wordt aangebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.J.R.M. Vermolen,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C. Eggink en H.P. Kijlstra,     				   		  	    rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_98a7b24f-c7d9-4efd-9a4f-9657bf9d02b7" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebb26905-edcf-4393-9681-f810ccaea72f" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d804e1f8-0607-4ae8-ba87-ba4e25ebd01d" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>