<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:4439</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-26T10:12:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/060488-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4439">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4439</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-13T10:38:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:4439 Rechtbank Amsterdam , 11-05-2023 / 13/060488-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:4439:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Italië, executie, tussenuitspraak nadere vragen omtrent artikel 12 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:4439:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/060488-23 (EAB V)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum tussenuitspraak: 11 mei 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 14 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_80d48aed-2717-4684-b8f0-c8a6882fab0c" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2015 door<emphasis role="italic"> the Office of the Prosecutor of the Republic of Forli </emphasis>(Italië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in onbekend (Roemenië) op [geboortedag] 1960,</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans uit andere hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 mei 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.Mustafazade, advocaat te Amsterdam, die waarneemt voor haar collega, M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_21b7bdda-91fd-4aa4-8b70-820a5f7f2b80" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">enforceable judgment of the District Court of Rome -1st Division -n. 17736/99-P dated 26 October 1999, irrevocable on 17 October 2001 (</emphasis>referentienummer Judgment n. 17736/99-P – n. 20159/99 Reg. Gen. – n. 34757/95 R.N.R).</para>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_1964de0c-c410-4990-88c7-04d899f7c18e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verjaring van de tenuitvoerlegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft geen verweer gevoegd en de officier van justitie heeft betoogd dat de overlevering moet worden toegestaan nu aan alle vereisten is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is geen weigeringsgrond. Het toesturen van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit impliceert <emphasis role="italic">in beginsel </emphasis>dat deze autoriteit bij haar beoordeling of de overlevering nog steeds gewenst is ook de verjaring naar het recht van haar lidstaat heeft beoordeeld.<footnote-ref linkend="_3c68ee0b-5ce3-41ff-9974-99d37acd2151" /> Niettemin moet overlevering achterwege blijven, indien na de uitvaardiging van het EAB de aan dat EAB ten grondslag liggende nationale rechterlijke beslissing niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is vanwege verjaring.<footnote-ref linkend="_8e8e6465-a556-490a-a6d4-f6492a0c4583" /> In een dergelijk geval voldoet het EAB immers niet aan de in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW bedoelde eis. In het onderhavige EAB gaat het om een vonnis van 1999 terwijl in het EAB in onderdeel F niet is opgenomen wanneer de tenuitvoerlegging van dat vonnis verjaart. Bovendien is het EAB op 30 juli 2015 – reeds bijna 8 jaar geleden - uitgevaardigd. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank niet zonder meer van de hiervoor geformuleerde hoofdregel kan uitgaan. De rechtbank wenst daarom bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te gaan wanneer de verjaringstermijn van de tenuitvoerlegging van het vonnis naar Italiaans recht verloopt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de uitvaardigende justitiële autoriteit dienen daarom de officier van justitie de volgende vragen te worden gesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kan onderdeel f) van het EAB ingevuld worden waarbij wordt vermeld wanneer de tenuitvoerleggingstermijn van de opgelegde straf zal verstrijken (dan wel is verstreken)?</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Blijft het EAB gehandhaafd in het geval de tenuitvoerleggingstermijn is verstreken? </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat tussen de datum waarop het vonnis is gewezen (26 oktober 1999) en de datum waarop dat vonnis onherroepelijk is geworden (17 oktober 2001) bijna twee jaren zijn verstreken. Dit roept bij de rechtbank de vraag op of er tegen het voornoemde vonnis hoger beroep is ingesteld waarin is geoordeeld over de schuld en de straf van de opgeëiste persoon en, zo ja, op welke wijze de opgeëiste persoon in dat hoger beroep zijn verdedigingsrechten heeft uitgeoefend. Om daar duidelijkheid over te krijgen dienen ,voorzover de tenuitvoerleggingstermijn als hiervoor in de vragen onder 3 bedoelt niet al is verstreken,  ook de volgende vragen te worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is tegen het vonnis van de District Court of Rome -1st Division -n. 17736/99-P hoger beroep ingesteld?</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zo ja, is in de procedure in hoger beroep definitief uitspraak gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en de aan hem opgelegde straf als bedoeld in HvJ EU van 10 augustus 2017, C270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas)?</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zo ja, kan onderdeel D) van het EAB worden ingevuld voor die procedure in hoger beroep?</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de in rechtsoverweging 3 en 4 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heropent de rechtbank het onderzoek, om dit vervolgens te schorsen tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in rechtsoverweging 3 en 4 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOUDT AAN</emphasis> de beslissing over de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Office of the Prosecutor of the Republic of Forli </emphasis>(Italië) voor het feit zoals is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT</emphasis> dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland, enige tijd vóór het aflopen van de beslistermijn op 27 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,  				       		                  		voorzitter,</para>
      <para>mrs. O.P.M. Fruytier en B. Vroom-Cramer,                         		   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_80d48aed-2717-4684-b8f0-c8a6882fab0c" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_21b7bdda-91fd-4aa4-8b70-820a5f7f2b80" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1964de0c-c410-4990-88c7-04d899f7c18e" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c68ee0b-5ce3-41ff-9974-99d37acd2151" label="4">
    <para>Rechtbank Amsterdam 5 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7307.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e8e6465-a556-490a-a6d4-f6492a0c4583" label="5">
    <para> Vergelijk: rechtbank Amsterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:668.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>