<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-07T08:32:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751.833-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:425">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-06T10:28:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:425 Rechtbank Amsterdam , 12-01-2023 / 13.751.833-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:425:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EAB t.b.v. executie van 3 vrijheidsstraffen. Weigering overlevering t.a.v. vonnissen A en B o.g.v. art. 6a OLW en tenuitvoerlegging van Poolse straffen in Nld. Weigering overlevering t.a.v. vonnis C o.g.v. art. 12 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:425:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.833-19</para>
      <para>RK nummer: 19/6154</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 12 januari 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 oktober 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op <?linebreak?>3 juli 2019 door <emphasis role="italic">the Regional Court of Law in Częstochowa</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] , </emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,  </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: </para>
      <para>
        [adres opgeëiste persoon] </para>
      <para>verblijvende op het adres: [verblijfsadres opgeëiste persoon] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 25 februari 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zantman, advocaat te Krimpen aan den IJssel en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd (op grond van het oude lid 4 van die bepaling) omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak van 10 maart 2020</emphasis>
      </para>
      <para>Bij tussenuitspraak van 10 maart 2020 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een aantal vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen betreffende het strafrestant in </para>
      <para>vonnis A en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW in relatie tot vonnis A en vonnis C. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 29 december 2022 </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 29 december  2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie </para>
      <para>mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, </para>
      <para>mr. J.A. Schuttevaer, advocaat te ’s-Gravenhage, die waarnam voor haar kantoorgenoot, </para>
      <para>mr. R.A. Kaarls, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft </para>
      <para>ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit </para>
      <para>heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van drie vonnissen, te weten: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A.	<emphasis role="italic">a cumulative judgement of the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van <?linebreak?>13 februari 2008 met zaaknummer III K 912/07;</para>
      <para>B.	<emphasis role="italic">a judgement of the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van 30 januari 2015 met<?linebreak?>zaaknummer III K 388/14;</para>
      <para>C.	<emphasis role="italic">a cumulative judgement of the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van 14 maart 2018<?linebreak?>met zaaknummer III K 319/17</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verzamelvonnis A. liggen de volgende vonnissen ten grondslag: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van 25 augustus 2000 met<?linebreak?>zaaknummer IV K 1206/98;</para>
    <para>2. een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van 6 september 2001 met<?linebreak?>zaaknummer IV K 416/00;</para>
    <para>3. een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van 29 november 2006 met <?linebreak?>zaaknummer III K 176/06. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verzamelvonnis C. liggen de volgende vonnissen ten grondslag: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Lubliniec</emphasis> van 16 augustus 2006 met<?linebreak?>zaaknummer II K 455/06;</para>
    <para>2. een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van 8 februari 2007 met<?linebreak?>zaaknummer III K 125/06;</para>
    <para>3. een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Częstochowa</emphasis> van 13 september 2007 met<?linebreak?>zaaknummer III K 1205/06;</para>
    <para>4. een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Oświęcim</emphasis> van 29 mei 2008 met zaaknummer<?linebreak?>II K 136/08. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van: </para>
      <para>A.	drie jaren en zes maanden (waarvan volgens het EAB nog drie maanden en 17 dagen resteren),</para>
      <para>B.	tien maanden (waarvan volgens het EAB nog zes maanden en 22 dagen resteren) en</para>
      <para>C.	drie jaren en tien maanden (waarvan volgens het EAB nog twee jaren, twee maanden en<?linebreak?>17 dagen resteren),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Resterende straf in zaak A en C</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de vonnissen A en C informatie inzake de resterende straf opgevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van vonnis A heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 11 augustus 2020 bevestigd dat het strafrestant inderdaad, conform wat in het EAB is aangegeven, drie maanden en 17 dagen beslaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van vonnis C onder punt 5.3 van deze uitspraak, zal de rechtbank het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit op de vraag over de resterende straf in zaak C niet bespreken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzamelvonnis A (III K 912/07) </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat vonnis A een verzamelvonnis betreft, dient de rechtbank echter ook te onderzoeken of de opgeëiste persoon – kort gezegd - zijn verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW heeft kunnen uitoefenen in de procedures die tot de vonnissen hebben geleid die aan het verzamelvonnis ten grondslag liggen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende informatie van 9 december 2019 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover desgevraagd het volgende meegedeeld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het vonnis van the District Court of Law in Częstochowa van 25 augustus 2000 </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">met zaaknummer IV K 1206/98:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>de opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het vonnis van the District Court of Law in Częstochowa van 6 september 2001 </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">met zaaknummer IV K 416/00:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>de opgeëiste persoon is volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit niet in persoon verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt echter het volgende: </para>
      </parablock>
      <para>a. <emphasis role="italic">[opgeëiste persoon] was summoned personally on 7th August, 2001 and was thereby informed </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision and was </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">informed that a decision may be handed down if he does not appear for the trial (…)</emphasis><?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c)   being aware of the scheduled trial, [opgeëiste persoon] had given a mandate to a legal </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic"> 	counsellor who was either appointed by the person concerned or by the State, to </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic"> 	defend him at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial (…)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>2. <emphasis role="italic"> 2. 	At the trial on 7th August, 2001 [opgeëiste persoon] appeared in person with the defense </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 	counsel appointed ex officio. [opgeëiste persoon] gave explanations and was informed about </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic"> 	the next trial date on 6th September, 2001, at which he failed to appear. His ex officio </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic"> 	defence counsel was present at the trial on 6th September, 2001. (…)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank maakt hieruit op dat de opgeëiste persoon op 7 augustus 2001 aanwezig is geweest op de zitting waarbij de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. De opgeëiste persoon is, naar de rechtbank begrijpt, niet aanwezig geweest toen het vonnis op <?linebreak?>6 september 2001 is uitgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet aan de orde, omdat op 6 september 2001 alleen het vonnis is uitgesproken en de zaak op die datum niet (meer) in feite en in rechte is behandeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het vonnis van the District Court of Law in Częstochowa van 29 november</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">2006 met zaaknummer III K 176/06: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>de opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vonnis B (III K 388/14) </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzamelvonnis C (III K 319/17)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.3.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunten van de verdediging en de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw heeft, kort gezegd, tot weigering van de overlevering geconcludeerd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft betoogd dat de overlevering voor vonnis C kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon was gedetineerd in Polen toen hem een brief is gestuurd betreffende dit verzamelvonnis. Een aantal dagen later mocht hij tijdelijk met verlof, maar hij is niet naar de gevangenis teruggekeerd. In het kader van zijn verlof had de opgeëiste persoon een verblijfadres opgegeven en aan dat adres is alle correspondentie inzake het verzamelvonnis gezonden. In alle aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende zaken is de opgeëiste persoon geïnstrueerd ten aanzien van adreswijzigingen en de gevolgen van het niet doorgeven hiervan. Bovendien had de opgeëiste persoon in de gevangenis moeten zitten; daar was hij bereikbaar geweest. Het is aldus aan de opgeëiste persoon te wijten dat hij niet op de hoogte was van de zittingen betreffende het verzamelvonnis. Daarom verzoekt de officier van justitie de rechtbank om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het verzamelvonnis met zaaknummer III K 319/17 heeft geleid.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Desgevraagd heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 16 december 2022 de navolgende informatie met betrekking tot dit verzamelvonnis verstrekt: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“(…) The proceedings for a cumulative judgement to be issued were instituted ex officio - on the initiative of the Appeals Division of the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Częstochowa. On 10.06.2015 the President of the Appeals Division sent a letter in this matter to the competent division of the District Court (Sąd Rejonowy).</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">At that time [opgeëiste persoon] was serving a prison sentence in the prison in [naam gevangenis] . On 14.06.2015 he was granted a temporary release from prison (…) [opgeëiste persoon] gave the following address at which he would be during his temporary release: [adres] . The accused did not return to prison from his temporary release. </emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">(…) the address given by [opgeëiste persoon] is the address at which the accused has been and still is registered as a permanent resident since 27.12.1995. (…) </emphasis>
            </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="italic">A notice of the trial date at which the cumulative judgement was to be handed down was sent to the accused to that address. The notice was deemed as duly served, because two missed delivery notes had been left at the address. The accused had a state­appointed defence counsel. The defence counsel was present at the trial. On 21.09.2016 the judgement was handed down. The defence lawyer appealed the judgement. On 31.03.2017 a judgement was handed down remanding the case for retrial. The case was registered again by the District Court in Częstochowa under reference number III K 319/17. A notice of the trial date on 01.03.2018 was sent to the accused to the above-mentioned address. The notice was deemed as duly served, because two missed delivery notes had been left at the address. (…) the defence counsel was present at the trial.</emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para>
          <emphasis role="italic">On 14.03.2018 the cumulative judgement was handed down. (…) the defence counsel and the prosecutor did not appeal and the judgment became final and valid on 28.04.2018. </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">During the individual proceedings (i.e. proceedings resulting in the judgements which were later examined to issue the cumulative judgement) the accused was informed about his obligation to inform the judicial authority of any change of his place of residence or whereabouts lasting more than 7 days, about his obligation to indicate an address for service in Poland if he stayed abroad; and if he changed his place of residence or did not live at the address given without informing the judicial authority of his new address, any documents sent to the address given would be deemed as duly served. (…) However, during the cumulative judgement proceedings [opgeëiste persoon] was not informed about the aforesaid obligation because since the moment of the initiation of the proceedings he had not return to prison from his (…) temporary release (…).”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet zelf om het verzamelvonnis heeft verzocht en dit evenmin namens hem is verzocht. Verder blijkt uit de informatie dat zich geen van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet daarop kan de overlevering voor het verzamelvonnis met zaaknummer III K 319/17 ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De opgeëiste persoon heeft niet zelf een verzoek bij de Poolse justitiële autoriteiten ingediend om een verzamelvonnis te wijzen. Dit is op initiatief van <emphasis role="italic">the Appeals Division of the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Częstochowa</emphasis> gebeurd. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon op enigerlei wijze op de hoogte is geraakt van deze procedure. Weliswaar zijn er na het instellen van deze procedure oproepen aan het door hem in het kader van zijn verlof opgegeven verblijfadres gezonden, maar dit adres is niet in het kader van de procedure betreffende het verzamelvonnis opgegeven. Evenmin is de opgeëiste persoon inzake die procedure geïnformeerd over een op hem rustende verplichting om bereikbaar voor de Poolse justitiële autoriteiten te blijven en om adreswijzigingen door te geven, alsmede over de gevolgen van het niet voldoen aan die verplichtingen.    </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In dat licht is de rechtbank van oordeel dat - ondanks dat de oproepen aan een adres zijn gezonden waarop de opgeëiste persoon als inwoner stond geregistreerd - van een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de zijde van de opgeëiste persoon of van een trachten te ontkomen aan aan hem gerichte informatie, niet is gebleken.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen staan dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk wist van het proces dat heeft geleid tot het cumulatieve vonnis met zaaknummer III K 319/17 en dat dus ook niet kan worden gezegd dat hij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De rechtbank kan niet vaststellen dat overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt, zodat zij de overlevering voor het vonnis met zaaknummer III K 319/17 zal weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Dit betekent dat de vraag of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen in de procedures die tot de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen hebben geleid, geen bespreking meer behoeft. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van één van de feiten waarop verzamelvonnis A ziet en waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit strafbare feit heeft aangeduid als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Oplichting.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten waarop verzamelvonnis A ziet en het feit waarop vonnis B ziet, niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Verzamelvonnis A. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak (meermalen gepleegd).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak (meermalen gepleegd).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van opzetheling.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van witwassen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van verduistering. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd (joyriding).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van poging tot overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd (joyriding). </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Vonnis B.	</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van zware mishandeling. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel </para>
      <para>6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>1. de opgeëiste persoon moet ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland hebben verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eerste voorwaarde </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het standpunt van de officier van justitie, inhoudende dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijkgesteld wordt omdat hij in 2017 onvoldoende heeft verdiend en over 2022 geen objectieve gegevens inzake de inkomsten uit zijn bedrijf heeft overlegd, wordt door de rechtbank niet gevolgd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de datum waarop de rechtbank uitspraak doet in deze zaak, heeft de rechtbank haar oordeel dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, gegrond op de jaren voorafgaand aan haar uitspraak, te weten de jaren 2018 tot en met 2022. Of de opgeëiste persoon in het jaar 2017 al dan niet voldoende inkomsten heeft gehad is dus niet relevant voor de beoordeling van de vraag of hij een duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de inkomensgegevens over het jaar 2022 overweegt de rechtbank het volgende. De opgeëiste persoon werkt als zzp’er en heeft ter onderbouwing van zijn inkomen over 2022 nota’s en een balans en resultatenrekening overgelegd. Uit deze gegevens, tezamen bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon ook in 2022 in Nederland heeft verbleven en hier te lande voldoende inkomen heeft gegenereerd. De balans en resultatenrekening wordt door de rechtbank - in samenhang beschouwd met de overige gegevens - in dit verband als voldoende objectieve informatie ter onderbouwing van zijn verblijf gezien. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is aan de eerste voorwaarde voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
      <para>De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 22 december 2022 volgt dat de strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook aan deze voorwaarde is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen bij verzamelvonnis A en vonnis B opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 6.1 weergegeven feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van oplichting.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de hiervoor en de onder 6.1 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. </para>
      <para>De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die in verzamelvonnis A en vonnis B opgelegde vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het volgende vastgesteld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de weigeringsgrond van artikel 12 OLW is van toepassing op de feiten XI tot en met XVII (verzamelvonnis C) en de rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. De overlevering dient voor die feiten te worden geweigerd; <?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de weigeringsgrond van artikel 6a OLW is van toepassing op de feiten I tot en met X (verzamelvonnis A en vonnis B) en de rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. De overlevering dient voor die feiten te worden geweigerd.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45, 47, 311,321, 326, 350, 416 en 420bis Wetboek van Strafrecht, 11 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court of Law in Częstochowa</emphasis> (Polen) voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf die bij verzamelvonnis C (zaaknummer III K 319/17) is opgelegd wegens de feiten XI tot en met XVIII.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court of Law in Częstochowa</emphasis> (Polen) voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraffen die bij verzamelvonnis A (zaaknummer III K 912/07) en vonnis B (zaaknummer III K 388/14) zijn opgelegd wegens de feiten I tot en met X.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. onder A. en B. bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de - geschorste - overleveringsdetentie van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] .</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>tot aan de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. onder A. en B. bedoelde vrijheidsstraffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. P. van Kesteren en M.E. van Rijn-Tonino,			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, 	                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>