<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:423</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-07T08:31:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.230.950 (EAB I)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:423">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:423</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-06T10:15:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:423 Rechtbank Amsterdam , 12-01-2023 / 13.230.950 (EAB I)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:423:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hongaars EAB t.b.v. de executie van een vrijheidsstraf. Toetsing eerste aanleg en hoger beroep aan artikel 12 OLW. Overlevering o.g.v. art. 12 OLW geweigerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:423:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.230.950 (EAB I)</para>
      <para>RK nummer: 22/4702</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 12 januari 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 november 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 7 april 2022 door <emphasis role="italic">the Veszprém Regional Court </emphasis>(Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1993, </para>
      <para>	verblijvende op het adres: [adres opgeëiste persoon] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 december 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C. Baaijens, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Hongaarse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een <emphasis role="italic">judgement </emphasis>met referentie 6.B.1117/2020/22 van <emphasis role="italic">the District Court of Veszprém </emphasis>van <?linebreak?>11 november 2020 en </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een <emphasis role="italic">judgement</emphasis> met referentie 1.Bf.1/2021/10 van <emphasis role="italic">the Veszprém Regional Court</emphasis>. Dit betreft de behandeling van de zaak in hoger beroep (onherroepelijk per 25 maart 2021).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten verdediging en openbaar ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft, kort gezegd, weigering van de overlevering bepleit omdat er geen schriftelijke en uitdrukkelijke verzetgarantie is verstrekt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid en dat hij het arrest in hoger beroep correct aan hem is betekend. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarmee niet aan de orde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.2.1</nr>
        <para>Bij schrijven van 15 december 2022 zijn door het Internationaal Rechtshulpcentrum Amsterdam (IRC) onder andere de volgende vragen gesteld: </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="underline italic">With reference to section d)</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">- Was the appeal procedure of the Veszprém Regional court, no. 1.Bf.1/2021/10, a</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">reassessment of guilt and/or penalty by the court?</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">- If yes: Could you please fill in and return the model form of section D included as an</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">annex to this email with regard to this judgment in appeal? </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op 23 december 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit deze vragen als volgt beantwoord: </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">‐ The appeal procedure of the Veszprém Regional Court, no. 1.Bf.1/2021/10 by which the first instance judgment no 6.B.1117/2020/22 was altered after examining the documents, the second instance court overruled the suspension order and sentenced [opgeëiste persoon] to 2 years' disqualification from public office;</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">‐ [opgeëiste persoon] was present when the Court took their judgment no. 6.B.1117/2020/22 and duly received the judgment no. 1.Bf.1/2021/10, which was served to him.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Aan het verzoek van het IRC om rubriek D) in te vullen ten aanzien van de procedure in hoger beroep is geen gehoor gegeven.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt vast dat uit de verstrekte informatie lijkt voort te vloeien dat in hoger beroep opnieuw inhoudelijk over de op te leggen straf is geoordeeld. Niet kan worden vastgesteld dat in de appelprocedure ook opnieuw over de schuld van de opgeëiste persoon is geoordeeld. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2</nr>
        <para>Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.<footnote-ref linkend="_1e7e6417-dc70-4969-9972-3d6ae001b564" /></para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Nu in hoger beroep in ieder geval de strafoplegging aan de orde is gesteld, vallen zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_7e72ee4f-02e2-417e-a776-5275e7752d95" /> Beide procedures zullen daarom door de rechtbank worden beoordeeld. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.3</nr>
        <para>De opgeëiste persoon is in eerste aanleg in persoon verschenen bij het proces dat tot het vonnis met zaaknummer 6.B.1117/2020/22 heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarom ten aanzien van dit vonnis niet aan de orde. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.4</nr>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest met zaaknummer 1.Bf.1/2021/10 heeft geleid, terwijl zich geen van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Weliswaar is door de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat de opgeëiste persoon het arrest heeft ontvangen, maar dit levert niet de in artikel 12, aanhef en onder c, genoemde omstandigheid op. Hiervoor is (onder meer) vereist dat de opgeëiste persoon uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep. Dat blijkt niet uit de verstrekte informatie. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.5</nr>
        <parablock>
          <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
          <para>Om te beginnen kan de rechtbank op basis van het EAB en de aanvullende informatie niet vaststellen door wie het hoger beroep is ingesteld. Aldus is niet gebleken dat dit door de opgeëiste persoon zelf is gebeurd. Evenmin kan uit de stukken worden afgeleid dat de opgeëiste persoon op andere wijze (tijdig) op de hoogte is geraakt van de procedure in hoger beroep. </para>
          <para>Uit de omstandigheid dat hij op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg, kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij ook rekening had kunnen en moeten houden met een mogelijke appelprocedure. De rechtbank acht tevens van belang dat op basis van de voorhanden zijnde stukken ook niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon er op enig moment tijdens de strafrechtelijke procedure door de Hongaarse autoriteiten expliciet op is gewezen dat hij (ook in geval van een eventuele hoger beroepsprocedure) bereikbaar voor justitie moest zijn op een vast (post)adres en wat de gevolgen konden zijn als hij zich hier niet aan zou houden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest noch dat kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon, door zijn handelwijze, stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces in hoger beroep. Overlevering leidt daarom tot een schending van zijn verdedigingsrechten. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.6</nr>
        <para>De rechtbank ziet overigens geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen voor het stellen van nadere vragen over de hiervoor genoemde punten nu er al vragen door het IRC zijn gesteld<footnote-ref linkend="_c94981c4-d77f-43be-8ce1-abc65baed187" />, waaronder het verzoek om rubriek D) in te vullen ten aanzien van de hoger beroepsprocedure   </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, dient de overlevering te worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Veszprém Regional Court </emphasis>(Hongarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP </emphasis>het bevel gevangenhouding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. P. van Kesteren en M.E. van Rijn-Tonino,			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, 	                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1e7e6417-dc70-4969-9972-3d6ae001b564" label="1">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (<emphasis role="italic">Tupikas</emphasis>), ECLI:EU:C:2017:628</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e72ee4f-02e2-417e-a776-5275e7752d95" label="2">
    <para> Vergelijk: Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, (Zdziaszek), ECLI:EU:C:2017:629.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_c94981c4-d77f-43be-8ce1-abc65baed187" label="3">
    <para> Zie: Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek), punten 103 tot en met 105.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>