<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-13T15:34:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752131-20 (EAB I)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:373">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:373</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-09T15:07:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:373 Rechtbank Amsterdam , 24-01-2023 / 13/752131-20 (EAB I)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:373:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools VV-EAB. Overlevering geweigerd, nu er volgens het EAB in Polen sprake is van vervolgingsverjaring. Daarmee voldoet het EAB niet aan de in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW bedoelde eis.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:373:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752131-20 (EAB I)</para>
      <para>RK nummer: 20/6049</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 24 januari 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van de officier van justitie van 16 december 2020 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_cbc3c4c0-81ba-4048-988c-730245c5bdf1" /> Dit EAB is uitgevaardigd op 14 mei 2007 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań </emphasis>(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1964, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: </para>
      <para>
        [adres]
      </para>
      <para>,	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een op 8 november 2022 geplande behandeling van het EAB is op voorhand aangehouden vanwege persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft vervolgens gelijktijdig met de behandeling van het EAB met parketnummer 13/752132-20 (EAB II) plaatsgevonden op de zitting van 10 januari 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken.<footnote-ref linkend="_ab11a67b-b2dc-45a5-bac4-67df432316ef" /> Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat er geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.<footnote-ref linkend="_3a333e41-3f8c-44d8-bd77-58878df9bc87" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">judgment by the District Court in Poznań on applying measures consisting in detention order for the period of 30 days from the date of arrest</emphasis> van 30 november 2006. De opsporing van de opgeëiste persoon is bevolen op 18 december 2006 met <emphasis role="italic">file ref. No. Ds. 4339/99/6</emphasis>. Het EAB vermeldt ook de referentie <emphasis role="italic">SYGN. AKT XXVI Kp 418/06</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_24335c0c-df42-45eb-aabc-f4ea874a9005" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW: gelijkstelling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman verzoekt de rechtbank subsidiair<footnote-ref linkend="_bde094fe-f8ff-416f-ac0a-9b818782f39c" /> om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, zodat de opgeëiste persoon, in het geval dat hij na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zijn straf vervolgens in Nederland kan ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door de verdediging niet door middel van concrete en objectieve informatie is aangetoond dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para />
    <para>2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;</para>
    <para />
    <para>3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van de stukken die door de raadsman zijn overlegd kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon al ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Aan de eerste voorwaarde wordt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldaan. Om die reden behoeven de tweede en derde voorwaarde geen nadere bespreking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer slaagt niet. De opgeëiste persoon wordt niet gelijkgesteld met een Nederlander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">6.	Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW: verjaring</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om de overlevering te weigeren op grond van</para>
      <para>artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW, omdat er naar Nederlands recht sprake is van </para>
      <para>verjaring van het recht op strafvervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in</para>
      <para>artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW, niet van toepassing is omdat Nederland geen </para>
      <para>rechtsmacht heeft. De opgeëiste persoon kan immers niet worden gelijkgesteld met een </para>
      <para>Nederlander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat, nu de opgeëiste persoon niet </para>
      <para>kan worden gelijkgesteld met een Nederlander en Nederland ook overigens geen rechtsmacht </para>
      <para>heeft over door een vreemdeling in het buitenland gepleegde strafbare feiten zoals de </para>
      <para>onderhavige, Nederland ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering gevraagd wordt, geen </para>
      <para>rechtsmacht heeft kunnen uitoefenen, zoals in artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW is </para>
      <para>vereist. Dit betekent dat geen sprake is van verjaring van het recht op strafvervolging. Het </para>
      <para>verweer slaagt niet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_7e3ba3b6-1d46-47e2-a5f8-3e8ca7668b3e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_bdce5ec2-d3f0-46c9-a94c-cf8b1a4e4879" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Verjaring naar Pools recht</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd </para>
      <para>moet worden omdat in het EAB vermeld staat dat er in Polen sprake is van verjaring van het </para>
      <para>recht op strafvervolging. Indien weigering niet mogelijk is moeten er op dit punt nadere vragen </para>
      <para>gesteld worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat het feit naar </para>
      <para>Pools recht verjaard zou zijn, geen weigeringsgrond oplevert. De eventuele verjaring naar Pools </para>
      <para>recht is iets dat in de procedure aldaar aan bod moet komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in onderdeel e) van het EAB het volgende staat vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Expiration of punishment for the offence charged expires on 23 May 2022.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is geen weigeringsgrond. Het toesturen </para>
      <para>van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit impliceert dat deze autoriteit bij haar </para>
      <para>beoordeling of de overlevering nog steeds gewenst is ook de verjaring naar het recht van haar </para>
      <para>lidstaat heeft beoordeeld.<footnote-ref linkend="_f222bd96-05c4-4695-99d5-c64a46131997" /> Niettemin moet overlevering achterwege blijven, indien na de </para>
      <para>uitvaardiging van het EAB de aan dat EAB ten grondslag liggende nationale rechterlijke </para>
      <para>beslissing niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is vanwege verjaring.<footnote-ref linkend="_642ca11d-49bf-484d-a78a-4912efd5f30f" /> In een dergelijk geval </para>
      <para>voldoet het EAB immers niet aan de in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW bedoelde </para>
      <para>eis. Nu de beslistermijn al is verstreken, kan de rechtbank niet meer bij de uitvaardigende </para>
      <para>justitiële autoriteit nagaan of de vervolgingsverjaring na de uitvaardiging van het EAB maar vóór </para>
      <para>23 mei 2022 is gestuit.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovenstaande weigert de rechtbank de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 8 weigert de rechtbank de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań </emphasis>(Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt,				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 24 januari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_cbc3c4c0-81ba-4048-988c-730245c5bdf1" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab11a67b-b2dc-45a5-bac4-67df432316ef" label="2">
    <para> Zie artikel 22 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a333e41-3f8c-44d8-bd77-58878df9bc87" label="3">
    <para> De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24335c0c-df42-45eb-aabc-f4ea874a9005" label="4">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bde094fe-f8ff-416f-ac0a-9b818782f39c" label="5">
    <para> Zie voor het primaire standpunt van de raadsman rechtsoverweging 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e3ba3b6-1d46-47e2-a5f8-3e8ca7668b3e" label="6">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bdce5ec2-d3f0-46c9-a94c-cf8b1a4e4879" label="7">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f222bd96-05c4-4695-99d5-c64a46131997" label="8">
    <para> Rechtbank Amsterdam 5 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7307.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_642ca11d-49bf-484d-a78a-4912efd5f30f" label="9">
    <para> Vergelijk: rechtbank Amsterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:668.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>