<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-20T10:34:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/257259-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3725">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-20T08:37:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:3725 Rechtbank Amsterdam , 26-05-2023 / 13/257259-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:3725:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak van medeplichtigheid aan oplichting omdat aan niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet daartoe had.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:3725:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="851f2759-053d-4769-b143-cbeca327de57" depth="16" width="550" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/257259-17 (promis)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 26 mei 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,</para>
      <para>wonende op het adres [adres] , [plaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.L.J. Smit en van wat de raadsman van verdachte mr. B.J.P. van Gils naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft na de zitting beraadslaagd en mondeling uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van medeplichtigheid aan de oplichting van [persoon 1] in de periode van 8 tot en met 13 juni 2016 in Nederland door zijn rekeningnummer ter beschikking te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging staat in bijlage I.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ontvankelijkheid van de officier van justitie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat de redelijke termijn fors is overschreden. Er zijn sinds aanvang van de vervolging bijna zeven jaar verstreken. Het is niet aan de schuld van verdachte te wijten dat het zo lang heeft geduurd. Het Openbaar Ministerie heeft hiermee zijn vervolgingsrecht verspeeld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie stelt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid en dat het Openbaar Ministerie dus ontvankelijk is in de vervolging.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat een strafzaak binnen twee jaar moet worden afgedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 20 februari 2017, de datum waarop verdachte voor het eerst als verdachte is gehoord. De termijn tussen het eerste verhoor van verdachte en de uitspraak op 26 mei 2023 is zes jaar en drie maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met vier jaar en zes maanden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in de regel niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. De rechtbank vindt de omstandigheden in deze zaak niet zo bijzonder dat van die regel zou moeten worden afgeweken en verwerpt daarom het verweer. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Vrijspraak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vindt dat medeplichtigheid aan oplichting kan worden bewezen. Verdachte heeft € 650 en € 400 van [persoon 1] op zijn rekening gestort gekregen. [persoon 1] heeft aangifte gedaan van oplichting voor deze bedragen. Dan is het aan verdachte om met een verklaring te komen, maar dat heeft hij niet gedaan. Dat maakt dat er sprake is van wettig bewijs. [persoon 2] heeft ook geld van [persoon 1] op zijn rekening ontvangen en heeft daarover verklaard dat hij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toestemming had gegeven geld op zijn rekening te laten storten en dat hij het geld na ontvangst meteen heeft gepind en aan hen heeft afgegeven. De verklaring van [persoon 2] maakt dat de officier van justitie de overtuiging heeft dat het bij verdachte op dezelfde manier is gegaan.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de vereiste dubbele opzet ontbreekt. Er is geen bewijs dat verdachte opzet had op de oplichting en opzet had om daarbij behulpzaam te zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Anders dan de officier van justitie en net als de verdediging vindt de rechtbank dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op zowel de oplichting van [persoon 1] als op de het daarbij behulpzaam zijn. Het feit dat verdachte geld van [persoon 1] op zijn rekening gestort heeft gekregen en de verklaring van [persoon 2] - die niets inhoudt over verdachte - zijn daartoe onvoldoende. </para>
        <para>Verdachte zal daarom worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Ten aanzien van de benadeelde partij, [persoon 1]</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat verdachte wordt vrijgesproken, wordt de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. E. Slager, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. F.J. Lourens en C.J.M Wildeman, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, 	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van </para>
      <para>Strafrecht )</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>