<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:3456</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-21T15:08:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751037-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3456">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3456</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-15T14:42:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:3456 Rechtbank Amsterdam , 07-03-2023 / 13/751037-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:3456:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voortzetting. Pools vervolgings-EAB. Artikel 47 Handvest. Artikel 6 OLW: gelijkstelling. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:3456:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751037-19</para>
      <para>RK nummer: 19/409</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 maart 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2018 door <emphasis role="italic">the Circuit Court in Opole</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,  </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976, </para>
      <para>verblijfadres: [adres opgeëiste persoon] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 7 maart 2019</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. <?linebreak?>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. P. Drenth, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen (aanvullende) vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit in het kader van de Poolse rechtstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 17 mei 2019</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft op de openbare zitting van 17 mei 2019 het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing op 7 maart 2019 bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. R. Vorrink, de opgeëiste persoon, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal, en zijn raadsman mr. V.S. Nolet, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 31 mei 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 31 mei 2019 heeft de rechtbank de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten beoordeeld. Ook heeft de rechtbank het onschuldverweer van de opgeëiste persoon verworpen. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen over de grondrechten van de opgeëiste persoon (mede) bezien tegen de achtergrond van de Poolse rechtsstaat te beantwoorden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 27 september 2019 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft op de openbare zitting van 27 september 2019 het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing op 31 mei 2019 bevond.<?linebreak?></para>
      <para>Gehoord zijn de officier van justitie mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon, wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 11 oktober 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 11 oktober 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen zodat de rechtbank kan beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat specifiek de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dus dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 21 februari 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op de openbare zitting van 21 februari 2023 het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing op 11 oktober 2019 bevond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gehoord zijn de officier van justitie mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon, wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen (volledig) antwoord gegeven op de vragen die de rechtbank heeft gesteld in haar tussenuitspraak van 11 oktober 2019 in het kader van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze vragen behoeven echter geen antwoord meer, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 februari 2022 (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat</emphasis>)), waaruit volgt dat de opgeëiste persoon zelf feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen een concrete invloed op de behandeling van zijn strafzaak zullen hebben.<footnote-ref linkend="_661a8198-6b58-40f2-bc54-a6678dd290d8" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander op grond van de door hem overgelegde stukken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit. Dat betekent dat hij, om in aanmerking te komen voor een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de OLW, moet voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander, die in artikel 6, derde lid, van de OLW zijn neergelegd:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat zij niet haar recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een aan haar na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat uit de door de raadsman overgelegde stukken, waaronder arbeidsovereenkomsten, loonstroken en bankafschriften, blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en dat hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen. Bovendien blijkt uit de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 16 februari 2023 dat ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland niet zal verliezen. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering van de opgeëiste persoon kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Regional Court in Opole </emphasis>(Polen) heeft op 28 februari 2023 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Regional Court in Opole the Third Criminal Division III], in the case of requested person [opgeëiste persoon] with court file reference III Kop 27/18, in reply to the letter of 28 February 2023 informs you that pursuant to Article 607j of the Polish Code of Criminal Procedure implementing Article 5 item 3 of the framework decision of the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Council 2002/584/JHA the executing state may stipulate at the time of surrender that the penalty of imprisonment or other measure involving a deprivation of liberty passed against this person will be served in this state.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Therefore, if the Court in Amsterdam decides to surrender [opgeëiste persoon] to Poland solely for the purpose of conducting criminal proceedings against him and stipulates in that decision that the penalty of imprisonment or other measure involving a deprivation of liberty passed against this person will be carried out in the Netherlands, the Polish court with jurisdiction over the case will immediately after the judgement issued in Poland becomes absolute and final issue a decision on the surrender of [opgeëiste persoon] to the state in which the European Arrest Warrant is being executed, that is to the Netherlands.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende, in aanmerking genomen dat uit het voorgaande volgt dat aan de voorwaarde ‘and stipulates (...) the Netherlands’ is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 11 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Circuit Court in Opole</emphasis> (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M.M.L.A.T. Doll,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. E.G.M.M. van Gessel en E. Biçer,                         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 7 maart 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_661a8198-6b58-40f2-bc54-a6678dd290d8" label="1">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>