<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:3409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-21T15:50:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10201934 / CV EXPL 22-15065</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3409">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-20T11:15:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:3409 Rechtbank Amsterdam , 26-05-2023 / 10201934 / CV EXPL 22-15065</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:3409:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet onvoorwaardelijk afstand gedaan van het meerdere boven € 25.000, verwijzing naar handel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:3409:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e75d2139-ccae-41c0-bb51-163aedf71589" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="3db12f69-e10d-42ac-92d0-f40c3cdd9af9" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK  AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer en rolnummer: 10201934 / CV EXPL 22-15065</para>
      <para>Uitspraak: 26 mei 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">MAJESTIC HOME CARE B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amstelveen,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A. Frederiksen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Vandermeulen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als MHC en [gedaagde] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 16 november 2022 met producties,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord met producties,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 9 februari 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>producties 19 tot en met 32 van MHC, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>producties 10 tot en met 14 van [gedaagde] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 10 mei 2023.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>MHC vordert – samengevat – dat [gedaagde] bij uitvoerbaar wordt veroordeeld tot betaling van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 19.500,- aan hoofdsom,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 3.852,99 aan rente over de hoofdsom tot 1 november 2022,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rente over de hoofdsom vanaf 2 november 2022,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 1.173,70 aan buitengerechtelijke incassokosten,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de proceskosten.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>MHC heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van een tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht op grond waarvan [gedaagde] volgens MHC gehouden was een (her)indicatie voor een cliënt van MHC  op te stellen, dan wel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover MHC. MHC stelt als gevolg hiervan schade te hebben geleden ter hoogte van € 30.202,62.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In de dagvaarding staat <emphasis role="italic">‘MHC beperkt haar vordering tot € 25.000,-, maar behoudt uitdrukkelijk het recht voor op in hoger beroep, dan wel in een andere procedure, een hogere of een andere vordering in te stellen’.</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In artikel 93 aanhef en sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,- door de kantonrechter worden behandeld en beslist, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Ter zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de bevoegdheid van de kantonrechter. MHC meent dat de kantonrechter bevoegd is ondanks dat zij niet onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van haar vordering boven de € 25.000,-. MHC heeft daarbij verwezen naar vier uitspraken. [gedaagde] heeft betwist dat zij een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met MHC voor het opstellen van een herindicatie voor de hiervoor bedoelde cliënt van MHC. Ook heeft zij betwist onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover MHC. [gedaagde] heeft het onderhavige geschil niet uitdrukkelijk willen neerleggen bij de kantonrechter.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De kantonrechter constateert dat MHC – ook na daartoe ter zitting uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld – niet onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan of heeft willen doen van het meerdere boven € 25.000,-. Zij heeft uitdrukkelijk de mogelijk open willen houden om in een andere procedure of instantie, meer te vorderen van [gedaagde] dan de in 2.1 genoemde bedragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>MHC kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat uit de door haar aangehaalde rechtspraak zou blijken dat de kantonrechter – ondanks dat MHC haar vordering niet onvoorwaardelijk heeft beperkt – bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. In het door MHC aangehaalde arrest heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden enkel bepaald dat een eisvermeerdering in hoger beroep na een beperking van de vordering tot € 25.000,- in eerste aanleg niet in strijd is met de goede procesorde. Het hof heeft zich daarbij niet uitgelaten over de bevoegdheid van de kantonrechter als gevolg van deze beperking. De overige door MHC in de dagvaarding aangehaalde rechtspraak heeft evenmin betrekking op de bevoegdheid van de kantonrechter als gevolg van het (voorwaardelijk) beperken van de vordering tot € 25.000,-. De conclusie is dat de kantonrechter op grond van artikel 93 Rv niet bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Omdat partijen zich niet samen tot de kantonrechter hebben gewend en [gedaagde] niet heeft ingestemd met de keuze van MHC om het geschil aan de kantonrechter voor te leggen, is de kantonrechter ook op grond van artikel 96 Rv evenmin bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Daarom zal de zaak ingevolge artikel 71 lid 1 Rv worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kantonrechter:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>I. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>II. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>III. wijst partijen erop dat ingevolge artikel 8 lid 1 WGBZ het in deze procedure geheven griffierecht zal worden verhoogd en ook van [gedaagde] alsnog griffierecht zal worden geheven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gewezen door mr. K.M. van Hassel, kantonrechter, bijgestaan door mr. A. Chu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2023. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier							De kantonrechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>