<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:2900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-11T08:49:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751646/21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:2900">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:2900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-10T10:19:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:2900 Rechtbank Amsterdam , 19-04-2023 / 13/751646/21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:2900:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering Hongaars vervolgings-EAB. Verweren m.b.t. genoegzaamheid, detentieomstandigheden, het recht op een eerlijk proces en art. 13 OLW verworpen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:2900:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-751646/21</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 19 april 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 22 februari 2023 tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_e29b69eb-a1ff-4876-95e8-c07574a64203" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 11 maart 2021 door the <emphasis role="italic">Buda Central District Court</emphasis>, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1993,</para>
      <para>verblijvend op het adres: [verblijfadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 april 2022. Het Openbaar Ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y.H.M. van Mierlo, advocaat in Breda en door een tolk in de Hongaarse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_624fdad4-3f2f-4734-a7be-215d176ff39b" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel, afgegeven door <emphasis role="italic">the Budapest Police Headquarters, Criminal Intelligence Department, Investigation Division</emphasis> en goedgekeurd door <emphasis role="italic">the Chief Prosecution Office of Budapest </emphasis>op 4 maart 2021, met kenmerk: 2163/2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_30c838f8-9818-401e-b32f-26725763b85c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw vindt dat het EAB niet genoegzaam is en de overlevering om die reden moet worden geweigerd. De pleegdatum en pleegplaats zijn namelijk niet voldoende specifiek omschreven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie vindt dat het EAB genoegzaam is. Het is duidelijk waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht en wat de pleegplaats en pleegperiode zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para> De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Het gaat in deze zaak om een vervolgings-EAB in een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze rol van de opgeëiste persoon zal later in Hongarije moeten blijken. De rechtbank is van oordeel dat uit het EAB voldoende duidelijk blijkt waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht, namelijk betrokkenheid bij het opzetten van een hennepkwekerij in de periode van april tot en met 13 december 2019 en het verkrijgen van illegale prestatieverbeterende middelen in een niet nader omschreven periode gelegen voor 24 juni 2019. Dit betekent dat ook het specialiteitsbeginsel wordt gewaarborgd. Naar het oordeel van de rechtbank is het EAB dan ook genoegzaam. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 24, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;</emphasis></para>
      <para>- <emphasis role="italic"> illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Onschuldverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering.<footnote-ref linkend="_f491f816-9310-4bab-aea4-bb7489986423" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para />
    <para>2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;</para>
    <para />
    <para>3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de aan hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eerste voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan.  Gelet op de overgelegde stukken – gegevens met betrekking tot het inkomen en verblijf in Nederland vanaf 3 april 2017 – is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland van vijf jaar is aangetoond. De opgeëiste persoon heeft dus een duurzaam verblijfsrecht verkregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in Nederland  kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De derde voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van 29 maart 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest als gevolg van de feiten in het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, hij deze straf in Nederland mag ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Head of Department</emphasis> van <emphasis role="italic">the Ministry of Justice</emphasis> in Hongarije heeft de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“the Ministry of Justice of Hungary guarantees that [opgeëiste persoon] , after being heard and upon his request, shall be returned to the Netherlands in order to serve there the custodial sentence or detention order passed against him in Hungary.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw vindt – onder verwijzing naar een rapportage van “the Hungarian Helsinki Committee” van 20 april 2020 – dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg kan  worden gegeven aan het EAB, nu voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) in Hongaarse detentie-instellingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vindt dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, nu niet is aangetoond dat in Hongaarse detentie-instellingen een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 Handvest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat, alvorens een individueel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling kan worden aangenomen, een algemeen gevaar van een schending van dit recht moet worden vastgesteld.<footnote-ref linkend="_0a54790c-2097-4371-befa-30837f0ba55a" /> De werkwijze voor het vaststellen van een dergelijk algemeen gevaar is als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen.”</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_9b96acc1-22aa-4728-bfea-cc58115b5d1f" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de rechtbank geen concrete aanwijzingen heeft voor een <emphasis role="italic">algemeen</emphasis> reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in gevangenissen in Hongarije, kan de rechtbank geen algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest vaststellen. Gelet daarop komt de rechtbank ook niet toe aan een beoordeling van het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon van een dergelijke schending.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Artikel 11 OLW: het recht op een eerlijk proces</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw stelt dat de opgeëiste persoon na overlevering mogelijk geen eerlijk proces zal krijgen in Hongarije.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vindt dat de opgeëiste persoon onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een reëel gevaar loopt om geen eerlijk proces te krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 17 oktober 2019<footnote-ref linkend="_307be6e0-35ec-4e2e-8776-e418a92483cb" />, waarin zij heeft geoordeeld dat er sprake is van structurele en fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft, maar dat deze gebreken de rechterlijke instanties in Hongarije niet dusdanig in gevaar brengen, dat hierdoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de zin van artikel 47 Handvest in de kern wordt aangetast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nog daargelaten dat ten aanzien van Hongarije geen algemeen gevaar in de hiervoor bedoelde zin is vastgesteld, overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar verweer geen feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te kunnen nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om te oordelen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dat daarom zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Dit betekent dat het verweer niet slaagt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Artikel 13 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.<footnote-ref linkend="_ae01b5b0-07ee-4491-9226-d730d2d4afbf" /><?linebreak?></para>
      <para>De raadsvrouw van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd geen aanknopingspunten met de Hongaarse rechtsorde hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;</para>
    <para />
    <para>- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in Hongarije is aangevangen.  De bewijsmiddelen en de medeverdachten bevinden zich in Hongarije. Het Openbaar Ministerie in Nederland is bovendien niet voornemens om de vervolging over te nemen. Het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd vormen daarom onvoldoende aanleiding om deze weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>12</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Buda Central District Court</emphasis>, Hongarije, voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.J.R.M. Vermolen,				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh,				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 april 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_e29b69eb-a1ff-4876-95e8-c07574a64203" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_624fdad4-3f2f-4734-a7be-215d176ff39b" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30c838f8-9818-401e-b32f-26725763b85c" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f491f816-9310-4bab-aea4-bb7489986423" label="4">
    <para> Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a54790c-2097-4371-befa-30837f0ba55a" label="5">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C404/15 en C659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b96acc1-22aa-4728-bfea-cc58115b5d1f" label="6">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C‑404/15 en C‑659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, rechtsoverweging 89.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_307be6e0-35ec-4e2e-8776-e418a92483cb" label="7">
    <para>ECLI:NL:RBAMS:2019:7758.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ae01b5b0-07ee-4491-9226-d730d2d4afbf" label="8">
    <para> Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>