<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:2658</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-30T14:55:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/5140 &amp; 22/5141</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:2658">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:2658</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-30T14:54:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:2658 Rechtbank Amsterdam , 16-03-2023 / 22/5140 &amp; 22/5141</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:2658:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd, omdat met de rittenadministratie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake was van laden en lossen. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:2658:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: AMS 22/5140 &amp; 22/5141</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </title>
    <bridgehead role="bold">16 maart 2023 in de zaken tussen</bridgehead>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit Utrecht, eiser</title>
    <para>(gemachtigde: N.G.A Voorbach),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam </title>
    <para>(gemachtigde: C.D.H. Helder).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen van eiser tegen de bestreden besluiten van 7 oktober 2022 op 16 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van 7 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft aan eiser twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslagen gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op [datum] om [tijdstip 1] uur geparkeerd op de [straat 1] ter hoogte van nummer [nummer 1] en om [tijdstip 2] uur op de [straat 2] ter hoogte van nummer [nummer 2] , zonder daarvoor parkeerbelasting te betalen. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt dat er sprake was van laden en lossen. Eiser was bezig met bezorgen en heeft zijn auto geparkeerd om andere weggebruikers niet te hinderen. Eiser legt ter onderbouwing hiervan zijn rittenadministratie over. Hieruit kan volgens eiser worden afgeleid dat hij aan het laden en lossen was. </para>
    <para />
    <para>4. Uit vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_3d070793-db9c-4080-836e-633b8967ffe8" /> volgt dat het onmiddellijk laden of lossen van zaken geen parkeren in de zin van de Verordening<footnote-ref linkend="_eeb7d50f-9382-4636-93cb-b68e38ab82fc" /> is. Onder onmiddellijk laden of lossen wordt verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. De bewijslast dat sprake was van ‘onmiddellijk laden en lossen’ rust op degene die zich op deze uitzondering beroept.</para>
    <para />
    <para>5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van laden en lossen. Uit de scanfoto’s welke door de heffingsambtenaar zijn overgelegd zijn geen personen die in of naast het voertuig staan te zien en is ook niet te zien dat de lichten van de auto nog aan stonden. Op deze scanfoto’s kunnen dus geen laad- en losactiviteiten waargenomen worden. Met betrekking tot het parkeren op de [straat 1] blijkt uit de rittenadministratie niet dat eiser daar een pakket moest bezorgen. Ten aanzien van de [straat 2] is wel in de rittenadministratie opgenomen dat eiser daar een pakket moest bezorgen. Uit dezelfde rittenadministratie volgt echter ook dat eiser het pakket, bestaande uit een televisie, moest installeren en ophangen. Hieruit lijkt te volgen dat eiser dus niet uitsluitend losactiviteiten heeft uitgevoerd, maar ook de televisie heeft opgehangen en geïnstalleerd. Nu eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van onmiddellijk en uitsluitend laden en lossen, is er sprake van parkeren en heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen dus terecht opgelegd. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3d070793-db9c-4080-836e-633b8967ffe8" label="1">
    <para> Zie het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eeb7d50f-9382-4636-93cb-b68e38ab82fc" label="2">
    <para> Voluit: Verordening Parkeerbelasting 2022</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>