<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:1715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-20T07:46:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/001001-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:1715">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:1715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-06T15:48:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:1715 Rechtbank Amsterdam , 23-03-2023 / 13/001001-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:1715:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Portugees EX-EAB. Toestaan. Verweer artikel 12 OLW slaagt niet: de in dat artikel bedoelde weigeringsgrond doet zich niet voor. Overwegingen in kader artikel 11 OLW, detentieomstandigheden Portugal.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:1715:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/001001-23</para>
      <para>RK nummer: 23/163</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 23 maart 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 16 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_6afabbcd-9d45-4949-ab2f-23f42d26323e" /> Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2022 door <emphasis role="italic">the Lisbon Court of Supervision of the Enforcement of Sentences </emphasis>(Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>huidige woon- of verblijfplaats onbekend,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieadres], </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 maart 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.J. Linck, advocaat in Amsterdam. Zij neemt waar voor haar kantoorgenoot, mr. S. Pijl, eveneens advocaat in Amsterdam. De opgeëiste persoon is daarnaast bijgestaan door een tolk in de Portugese taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_056875ea-305a-4b50-9743-6d5139029865" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt in de onderdelen b) en f) de volgende beslissingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>een <emphasis role="italic">enforceable judgement </emphasis>van 9 januari 2018 van <emphasis role="italic">the Coruche’s District Court of General Jurisdiction – Judicial District of Santarém</emphasis>, onherroepelijk sinds <?linebreak?>9 juli 2018, met <emphasis role="italic">case No. 235/15.0GBCCH</emphasis>;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>een <emphasis role="italic">court order of conversion</emphasis> van 6 november 2020, onherroepelijk sinds <?linebreak?>16 december 2020, met <emphasis role="italic">case No. 104/13.0TXLSB-C – Conditional Release (Law 115/2009)</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>een <emphasis role="italic">decision </emphasis>van 7 oktober 2021 met referentie <emphasis role="italic">Law 9/2020</emphasis> waarin <emphasis role="italic">the release of the defendant was ordered</emphasis>. Tegen deze beslissing is de officier van justitie in beroep gegaan op 5 november 2021. In hoger beroep is op 26 januari 2022 een beslissing genomen door <emphasis role="italic">the Lisbon Court of Appeal</emphasis>, onherroepelijk sinds 2 februari 2022. Deze beslissing hield het volgende in: <emphasis role="italic">‘having been granted the appeal filed by repealing the decision which granted pardon’</emphasis>.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor onder I genoemde vonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_7ae8fe5e-1f25-44bb-bad1-d05fa12effc4" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Ten aanzien van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis geldt dat de opgeëiste persoon betwist dat het vonnis aan hem in persoon is uitgereikt. De overlevering moet op grond van artikel 12 OLW geweigerd worden, nu de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De opgeëiste persoon stelt pas op de hoogte te zijn geraakt van het vonnis toen de aanvankelijk aan hem opgelegde geldboete, die hij niet had betaald, al was omgezet in een gevangenisstraf en daartegen geen rechtsmiddelen meer openstonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Ten aanzien van de in rechtsoverweging 3 onder II en III genoemde beslissingen geldt dat er op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, nu ten aanzien van deze beslissingen niet bekend is of de opgeëiste persoon daarvan op de hoogte is gesteld. De opgeëiste persoon heeft zich in deze twee procedures niet kunnen verdedigen en heeft geen eerlijk proces gekregen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om over de gang van zaken rondom de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de in rechtsoverweging 3 onder II en III genoemde procedures nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Ten aanzien van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c OLW. De in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond is ten aanzien van dat vonnis dan ook niet van toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>De in rechtsoverweging 3 onder II en III genoemde beslissingen hoeven niet aan artikel 12 OLW getoetst te worden, nu het in deze beslissingen niet gaat om een inhoudelijke beslissing over schuld of straf.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 februari 2023 blijkt dat het vonnis op 7 juni 2018 in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt. Tijdens deze uitreiking is aan de opgeëiste persoon meegedeeld dat hij binnen 30 dagen hoger beroep had kunnen instellen tegen het vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande is er sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c OLW. Meer in het bijzonder is er sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, onder 2 OLW, nu het vonnis na iets meer dan 30 dagen na de uitreiking daarvan onherroepelijk is geworden (op 9 juli 2018), hetgeen erop duidt dat de opgeëiste persoon niet binnen de voorgeschreven termijn van 30 dagen hoger beroep heeft ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich ten aanzien van het in rechtsoverweging 3 onder I genoemde vonnis dan ook niet voor. De rechtbank merkt daarnaast op dat een enkele betwisting door de opgeëiste persoon van de hierboven beschreven gang van zaken niet voldoende is om tot een ander oordeel te komen. Hetgeen de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeldt is in deze leidend.<footnote-ref linkend="_c0d26846-b262-46c3-abcb-c5ac85c800eb" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>De in rechtsoverweging 3 onder II genoemde beslissing ziet op een beslissing over voorwaardelijke invrijheidsstelling (het EAB spreekt namelijk van: ‘<emphasis role="italic">conditional release’</emphasis>). De in rechtsoverweging 3 onder III genoemde beslissing ziet op een procedure die alleen gaat over het al dan niet herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de opgeëiste persoon. Beide beslissingen liggen niet ter toetsing aan artikel 12 OLW voor, nu het niet gaat om procedures waarin de aard of de maat van de straf gewijzigd is.<footnote-ref linkend="_dbf56bd9-7ff6-41ca-952e-ae47aee1bdf8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Het verweer van de raadsvrouw slaagt niet. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich niet voor.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 6 april 2021<footnote-ref linkend="_5e552667-5a8c-4542-bc10-e4a570463c70" /> heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen dat personen die in Portugal in de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 8 februari 2023 heeft de <emphasis role="italic">Deputy General Director </emphasis>van het <emphasis role="italic">Directorate-General of Reintegration and Prison Services</emphasis> de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“… I hereby declare and give guarantee that [opgeëiste persoon], ID Card no. [nummer], will not be designated to prisons of Lisbon, Caxias or Setúbal, nor he will be transferred to them.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is, met de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat de hiervoor vermelde garantie voldoende is om het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon uit te sluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 107 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Lisbon Court of Supervision of the Enforcement of Sentences </emphasis>(Portugal) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.P.W. Helmonds,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en L. Sanders,               				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 maart 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6afabbcd-9d45-4949-ab2f-23f42d26323e" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_056875ea-305a-4b50-9743-6d5139029865" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ae8fe5e-1f25-44bb-bad1-d05fa12effc4" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0d26846-b262-46c3-abcb-c5ac85c800eb" label="4">
    <para> Vergelijk: rechtbank Amsterdam 25 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dbf56bd9-7ff6-41ca-952e-ae47aee1bdf8" label="5">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie 22 december 2017, zaak C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e552667-5a8c-4542-bc10-e4a570463c70" label="6">
    <para> Rechtbank Amsterdam 6 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1627.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>