<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2023:1359</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-16T13:58:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/335807-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:1359">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:1359</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-16T11:59:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2023:1359 Rechtbank Amsterdam , 09-03-2023 / 13/335807-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2023:1359:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EX-EAB Polen. De rechtbank weigert de overlevering op grond van artikel 12 OLW. OP is tijdens de procedure in hoger beroep weliswaar verdedigd door een daartoe gemachtigde advocaat, niet vast te stellen is dat hij ook op de hoogte was van de procedure.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2023:1359:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/335807-22</para>
      <para>RK nummer: 22/5194</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 9 maart 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 27 december 2022. Deze vordering betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op <?linebreak?>15 november 2021 door <emphasis role="italic">the Regional Court 3rd Criminal Divison in Jelenia Góra</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983, </para>
      <para>	verblijfadres: [adres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is op 1 februari 2023 voor bepaalde tijd aangehouden vanwege gezondheidsklachten van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 23 februari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_776e5d65-0034-4310-a84f-b3486e012b69" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">judgment issued by the District Court in Jelenia Góra on 15 September 2020, amended by the judgment issued by the Regional Court in Jelenia Góra on 13 April 2021</emphasis>, met referenties <emphasis role="italic">II K 502/20</emphasis> respectievelijk <emphasis role="italic">VI Ka 542/20</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 11 maanden en 29 dagen.  De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De overlevering moet op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. Het hoger beroep is buiten weten van de opgeëiste persoon om ingesteld door zijn advocaat, hetgeen in Polen mogelijk is. Van de procedure in hoger beroep was de opgeëiste persoon niet op de hoogte. Ook is aan hem geen adresinstructie gegeven. Deze gang van zaken heeft in een eerdere uitspraak van deze rechtbank ook tot een weigering geleid.<footnote-ref linkend="_604f6f1a-0374-4629-b531-5d953f62f761" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 januari 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon samen met zijn advocaat hoger beroep heeft ingesteld en dat zijn gemachtigd advocaat tijdens het proces in hoger beroep aanwezig is geweest. Daarmee doet de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voor en kan de overlevering worden toegestaan. Een enkele ontkenning van de opgeëiste persoon op dit punt maakt dit niet anders.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 januari 2023 blijkt dat er in hoger beroep definitief is geoordeeld over de schuld en de straf van de opgeëiste persoon. De rechtbank zal om die reden enkel de procedure in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_b62538c6-86ea-41fd-a9b6-1f246fec8be5" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Er is daarnaast geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a of c, OLW en er is evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Ook de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW doet zich niet voor. De opgeëiste persoon is tijdens de procedure in hoger beroep weliswaar verdedigd door een daartoe gemachtigde advocaat, maar niet vast te stellen is dat de opgeëiste persoon ook op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat, anders dan de officier van justitie betoogt, in het EAB niet staat vermeld dat het de opgeëiste persoon zelf is geweest die hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis; er staat dat zijn advocaat dit heeft gedaan. In het EAB staat weliswaar ook vermeld dat de opgeëiste persoon, “<emphasis role="italic">knowing of the scheduled trial”,</emphasis> zijn advocaat had gemachtigd om zijn verdediging te voeren, maar er bestaat aanleiding om aan te nemen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de mededeling “<emphasis role="italic">knowing of the scheduled trial</emphasis>” uitsluitend heeft gebaseerd op de eveneens in het EAB vermelde mededeling dat de opgeëiste persoon “<emphasis role="italic">was notified of the date of the hearing</emphasis>”. Uit de aanvullende informatie van 23 januari 2023 valt evenwel af te leiden dat de oproep voor de zitting slechts tweemaal tevergeefs naar het (kennelijk in eerste aanleg opgegeven) adres van de opgeëiste persoon is verzonden. Daarmee is niet komen vast te staan dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk bekend was met de procedure in hoger beroep. Ook op een andere wijze kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon dit was.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Nu door het IRC reeds op 20 januari 2023 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is gevraagd of er aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is gegeven en uit het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet van een dergelijke instructie is gebleken, ziet de rechtbank geen reden om hierover nadere vragen te stellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Concluderend stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten tijdens de procedure in hoger beroep niet heeft kunnen uitoefenen, zonder dat dit aan hem te wijten is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>De rechtbank weigert de overlevering op grond van artikel 12 OLW.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court 3rd Criminal Divison in Jelenia Góra</emphasis> (Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de geschorste overleveringsdetentie van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon]</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.J. Scheijde en A.K. Glerum,                				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 maart 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_776e5d65-0034-4310-a84f-b3486e012b69" label="1">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_604f6f1a-0374-4629-b531-5d953f62f761" label="2">
    <para> Rechtbank Amsterdam 24 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6965.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b62538c6-86ea-41fd-a9b6-1f246fec8be5" label="3">
    <para> Hof van Justitie EU 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>