<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-03T16:58:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752188-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:959">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-03T13:58:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:959 Rechtbank Amsterdam , 02-03-2022 / 13/752188-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:959:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Roemenië; verweer m.b.t. de strafbaarheid van het feit verworpen; detentieomstandigheden; overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:959:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752188-20</para>
      <para>RK nummer: 21/84</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 maart 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 januari 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 15 november 2019 door <emphasis role="italic">the Babadag Court</emphasis> (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1978, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 februari 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. P.D. Popescu die waarneemt voor zijn advocaat, mr. A. Petrescu, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22, eerste en derde lid, OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">criminal sentence no. 108/07.05.2019 of Babadag Court, maintained and final on 06.11.2019 by the criminal decision no. 957/P/06.11.2019 of Constanţa Court of Appeal by rejection as unfounded of the appeal submitted by the defendant (case file no. 1582/179/2018)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid en de opgeëiste persoon heeft ter zitting aangegeven dat hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter zitting aanwezig was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat heeft aangevoerd dat het feit niet dubbel strafbaar omdat onduidelijk is of sprake is geweest van opzettelijke brandstichting in Roemenië. Ten onrechte is in het EAB het lijstfeit brandstichting niet aangekruist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de vertaling “<emphasis role="italic">set fire</emphasis>” niet blijkt of het al dan niet om onopzettelijke brandstichting gaat. Het is echter de vraag of het relevant is nu de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft aangegeven dat het brandstichting betreft en duidelijk is waar de overlevering op ziet. Subsidiair kan de rechtbank afzien van het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW. Het feit is in Roemenië gepleegd door een Roemeen en het slachtoffer is ook een Roemeense. Het ligt dan voor de hand om de zaak in Roemenië af te wikkelen, aldus de officier van justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Het feit is dubbel strafbaar ongeacht of het om opzettelijke brandstichting gaat (artikel 157 Wetboek van Strafrecht) dan wel om een schuldvariant gaat (artikel 158 Wetboek van Strafrecht). De rechtbank ziet evenwel aanleiding om, gelet op de feitsomschrijving in het EAB, uit te gaan van opzettelijke brandstichting, gelet op de woorden “<emphasis role="italic">set fire”</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden  </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de advocaat</emphasis>
        </para>
        <para>De overlevering dient te worden geweigerd vanwege de detentieomstandigheden in Roemenië. De individuele detentiegarantie is niet betrouwbaar omdat uit de website van de Roemeense overheid blijkt dat in de gevangenis van Tulcea sprake is van overbevolking en dat deze gevangenis niet is gerenoveerd. In de uitspraak van 11 september 2018 van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2018:6969) is de overlevering geweigerd omdat de opgeëiste persoon in de Tulcea gevangenis zou worden geplaatst in het semi-open regime en daar maar 2 m² personal space tot zijn beschikking zou hebben. Door de individuele garantie neemt de opgeëiste persoon ruimte in ten koste van de andere gedetineerden aldaar.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De individuele detentiegarantie inhoudend dat de opgeëiste persoon 3 m² persoonlijke ruimte zal hebben, neemt het algemene gevaar weg. De detentieomstandigheden vormen dus geen beletsel voor de overlevering.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen.<footnote-ref linkend="_22336bdc-cf12-4a1f-86f0-3bb96e13d160" /> De verwijzing van de advocaat naar de website van de Roemeense overheid waaruit blijkt dat er nog steeds sprake is van overbevolking onderstreept dit algemene gevaar, maar dit raakt niet de individuele detentiegarantie zoals hieronder beschreven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In deze zaak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een brief verstrekt van <emphasis role="italic">the commissioner of Penitentiary police Dr. [persoon] , General director of the National Administration of Penitentiaries</emphasis> van 19 januari 2022. In deze brief is onder meer het volgende meegedeeld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">If the person deprived of liberty is surrendered to the Romanian authorities, …he will be  initially detained in the Rahova Penitentiary of Bucharest in order to carry out the quarantine period for a period of 21 days in a room which will ensure a minimum space of 3 square meters.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">…Considering the period of his punishment, the convict will most likely execute his custodial sentence initially in the semi-open regime. Also considering his domicile, most likely, at the beginning, he will execute the punishment in the Tulcea Penitentiary. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">…We mention that, according to the computerized application PHMSWEB, on 22.06.2021, Tulcea Penitentiary registered a number of 517 persons deprived of liberty classified in semi-open regime, having at their disposal a number of 575 places destined for this category, related to an individual minimum space of 3 m2.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Considering the perspective of the implementation of the measures included in the- ''Action plan for the period 2020 - 2025, elaborated in order to execute the pilot-judgment Rezmives and others against Romania, as well as the judgments pronounced in the group of cases Bragadireanu against Romania ". as well as the number of detainees currently detained by the National Administration of Penitentiaries, following the criminal policies adopted by the Romanian state, the National Administration of Penitentiaries guarantees the provision of an individual minimum space of 3 sqm during the execution of the sentence, including the related bed and furniture, without including also the space destined for the sanitary group.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in deze garantie. Gelet op deze garantie is de rechtbank van oordeel dat voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. De detentieomstandigheden vormen dan ook geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 157 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Babadag Court</emphasis> (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.A.A.G. de Vries,  				                         	 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en H.G. van der Wilt,                         				    rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek,		                         	     griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 2 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_22336bdc-cf12-4a1f-86f0-3bb96e13d160" label="1">
    <para> Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>