<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:946</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-23T10:07:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751696-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:946">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:946</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-23T08:58:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:946 Rechtbank Amsterdam , 17-02-2022 / 13/751696-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:946:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings EAB Griekenland. Uitvaardigende autoriteit. Rechterlijke toetsing voorwaarden uitvaardigenen EAB. Overlevering geweigerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:946:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751696-17 (EAB II)</para>
      <para>RK nummer: 17/5500</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 17 februari 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 augustus 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2017 door het Parket van het Hof van Hoger Beroep van Larisa (Griekenland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Griekenland) op [geboortedag] 1966, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres] , [woonplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Zitting 11 december 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 december 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Griekse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de gevangenneming bevolen en met onmiddellijke ingang geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de IND te bevragen of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zou verliezen naar aanleiding van de feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Zitting 4 juni 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 4 juni 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Griekse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct tussenuitspraak gedaan, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om de officier van justitie in gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak gestelde vragen betreffende de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Zitting 19 maart 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 19 maart 2021. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Griekse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting bij tussenuitspraak van 31 maart 2021 heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, om de officier van justitie in gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak gestelde vragen betreffende de procedureregels over de evenredigheidstoets van EAB’s voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Zitting 3 februari 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 3 februari 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Griekse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Griekse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van drie arrestatiebevelen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Arrestatiebevel nr. 1/7-1-2014 van de Onderzoeksrechter A Kamer – Rechtbank van Eerste Aanleg van Larisa.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Arrestatiebevel nr. 27/2-6-2015 van de Onderzoeksrechter van de C Kamer – Rechtbank van Eerste Aanleg van Larisa.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Arrestatiebevel nr. 2/21-1-2016 van de Onderzoeksrechter van de B Kamer – Rechtbank van Eerste Aanleg van Larisa. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Grieks recht strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Rechterlijke toetsing voorwaarden uitvaardigen EAB  <?linebreak?></title>
    <para>Het EAB is uitgevaardigd door het Parket van het Hof van Hoger Beroep in Larisa. De nationale aanhoudingsbevelen zijn uitgevaardigd door een rechter. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een tussenuitspraak van 27 mei 2020, waarin eveneens sprake was van een door een officier van justitie uitgevaardigd EAB, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Griekse openbaar ministerie kan worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EAB en dus als uitvaardigende justitiële autoriteit in de zin van de OLW.<footnote-ref linkend="_59847b8c-63a7-44b2-8a06-fad0f48a0e7b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de onderhavige zaak heeft de rechtbank op basis van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 9 januari 2020 kunnen opmaken dat er geen rechtsmiddel openstaat tegen het uitvaardigen van een EAB, zoals reeds geoordeeld in de tussenuitspraak van 31 maart 2021. Dat liet echter – ondanks het meermaals bevragen van de Griekse justitiële autoriteit – de vraag open of op enig ander moment de voorwaarden voor de uitvaardiging van dat EAB, en met name de evenredigheid ervan, door een rechter zijn getoetst dan wel kunnen worden getoetst, zodat in de tussenuitspraak van 31 maart 2021 de volgende vraag is geformuleerd: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gelden er in Griekenland wettelijke procedureregels die bepalen dat, nu geen beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, de voorwaarden voor het uitvaardigen van dit EAB, en met name de evenredigheid ervan, door een rechter worden getoetst? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van deze vraag is door de <emphasis role="italic">Hellenic Republic Public Prosecutor’s Office of the Larissa Court of Appeal </emphasis>per brief van 11 mei 2021 onder meer de volgende informatie verstrekt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The public prosecutor of the Court of Appeal, who, as mentioned above,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">is the competent judicial authority for issuing a European arrest warrant if their</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">district has territorial jurisdiction to try the offence for which the arrest and</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">surrender of the person concerned are requested, shall check, in accordance with</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the law, the conditions necessary for issuing the EAW and, in particular, whether</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">it is justified in accordance with the principle of proportionality. In the present</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">case, European arrest warrant No 59/28.4.2017 (EAW) was lawfully issued by</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the public prosecutor of the Court of Appeal of Larissa on the basis of the above</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">national arrest warrants issued and kept in force by judges, in accordance with</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the procedural safeguards required by Greek law (CJEU, 13 January 2021, C-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">414/20, PPU MM, CJEU, 1 June 2016, C-241/15, Bob-Dogi). Furthermore, the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">public prosecutor of the Court of Appeal of Larissa, as the only competent judicial</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">authority, issued the EAW in question taking into account, in accordance with the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">principle of moral proof (Article 177 of the Code of Criminal Procedure) all the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">evidence and the seriousness of the acts attributed to the person sought, the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">alleged continued commission by him of tax offences for a period of more than</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4 years, with considerable financial loss for the State, the international transfer of a substantial amount of money to three other countries through the financial</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">sector, with the aim of hiding and concealing the person's income, and for tax</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">evasion. Moreover, without an identified residence in Greece, there was the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">inevitable consequence that criminal proceedings against him were suspended</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in three serious cases. The issuing of an EAW under these criteria does not, in</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">our opinion, incur any breach of the principle of proportionality in view of the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">seriousness of the offences attributed to the person sought, together with the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">sufficient period of time that has elapsed since they were committed, and his</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">irrevocable referral to the competent courts in order to be tried for these offences,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">as well as his continuing status of having absconded.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In view of the above, when our department was informed, pursuant to the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">letter ref. 1020/26834/15-α of 31 January 2017 from the Trikala Security</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Department, that the person sought is a permanent resident in the town of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [woonplaats] , in the Netherlands, at a specific address, it was deemed necessary</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">and fully in accordance with the principle of proportionality to issue an EAW, with</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">a view to securing his arrest and bringing him before the relevant Greek courts.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Therefore, it is concluded from the above that the public prosecutor of the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Court of Appeal of Larissa, as competent judicial authority for the issuing of the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">EAW, reviewed the proportionality of issuing the European arrest warrant</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">No 59/28.4.2017, while the above related national arrest warrants, on which this</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">is based, were reviewed based on the principle of proportionality by judges, both</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">at the issuing, as well as at their retention as enforceable at previous procedural</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">stages.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door het Internationaal Rechtshulpcentrum Amsterdam (IRC) is hierop de volgende vraag gesteld aan de Griekse uitvaardigende justitiële autoriteit: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In another Greek surrender case, concerning a EAW issued by a public prosecutor of the Public Prosecutor’s Office of the Court of Appeal of Evia, the issuing authority informed us that, before the issuing of the EAW, a judge sent a letter to the public prosecutor, in which the judge considered that the issuing of a EAW would be proportionate and requested the public prosecutor to issue a EAW. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Do I understand correctly that in the case of [de opgeëiste persoon] , no such letter has been sent by a judge? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op deze vraag is per brief van 30 juni 2021 het volgende geantwoord: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Following your above e-mail, via which we are informed of the document of the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Public Prosecutor's Office of Amsterdam, the Netherlands, with reference number</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2017026794 dated 24-6-2021, in which a question is raised regarding the execution of the European Arrest Warrant (EAW) of the Prosecutor of the Court of Appeals of Larissa with No. 59/28-4-2017, against the above mentioned in subject Greek citizen [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] , we refer to our previous document dated 11-3-2021 and addressed to the competent Authorities of the Netherlands, in which we analyze the exclusive competence of the Appellate Prosecutor as a Judicial Authority for the issuance of a European Arrest Warrant (EAW), without the need for prior instruction or request or letter from a Judge.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In addition, as we have repeatedly pointed out, the above-mentioned European</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Arrest Warrant with No. 59/28-4-2017 was issued by the Appellate Prosecutor of Larissa, in the context of his jurisdiction and institutional independence, in appropriate proportion to the gravity and criminal value of the defendant's actions, in conjunction with his ongoing fugitiveness. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, nu er geen evenredigheidstoets heeft plaatsgevonden door een rechter met betrekking tot het uitvaardigen van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Er heeft geen proportionaliteitstoets plaatsgevonden door een rechter. De zaak is daarmee vergelijkbaar met de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2021,  ECLI:NL:RBAMS:2021:731, waarin zich een dergelijke situatie voordeed. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert, op basis van de aanvullende informatie van de Griekse autoriteiten, dat de evenredigheid van het EAB niet getoetst is door een Griekse rechter, noch dat deze toets dient plaats te vinden door een Griekse rechter. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van de mogelijkheid om de beslissing van de officier van justitie om een EAB uit te vaardigen, voorwerp te laten uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de door een effectieve rechterlijke bescherming gestelde eisen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERKLAART </emphasis>de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP </emphasis>het – geschorste – bevel overleveringsdetentie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en A. Pahladsingh,                         		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_59847b8c-63a7-44b2-8a06-fad0f48a0e7b" label="1">
    <para>Rechtbank Amsterdam 27 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2758.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>