<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:8445</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-27T08:07:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/245015-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:8445">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:8445</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-24T13:48:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:8445 Rechtbank Amsterdam , 16-12-2022 / 13/245015-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:8445:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB uit Hongarije. Tussenuitspraak. Vragen gesteld over artikel 12, sub d, OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:8445:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/245015-22 (EAB I)</para>
      <para>RK nummer: 22/4571</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 16 december 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 oktober 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 3 juni 2020 door <emphasis role="italic">Skekszárd Regional Court</emphasis> (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1977, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>uit anderen hoofde gedetineerd in [naam PI],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 december 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. den Riet, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon sinds 26 september 2022, de datum waarop het EAB door de officier van justitie is ontvangen, uit anderen hoofde gedetineerd is, is de beslistermijn gestart op 29 september 2022 (drie dagen na ontvangst van het EAB).<footnote-ref linkend="_834c39f8-4c3c-40d8-bc55-a3c8eb9200e9" /> Dit betekent dat er na het verstrijken van deze termijn op 27 december 2022 geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding of gevangenneming. Overigens volgt uit het dossier dat de einddatum van de huidige detentie op grond van een Nederlandse straf eindigt op 9 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">enforceable judgment, Decision No. B48/2018/25 </emphasis>van de <emphasis role="italic">District Court of Bonyhád </emphasis>van 5 maart 2019 (referentie: No. Szv.265/2019/6).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Openbaar Ministerie heeft op 18 november 2022 per e-mail de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">With regard to the EAW with reference Szv.265/2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">8. Could you indicate whether [opgeëiste persoon] will be granted the </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">unconditional </emphasis>
          <emphasis role="italic">possibility to a retrial or an appeal after his surrender? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het <emphasis role="italic">Ministry of Justice, department of International Criminal Law te Budapest </emphasis>heeft per brief van 7 december 2022 informatie toegezonden, door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekt, waarin het volgende antwoord is gegeven: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">8. He will not have the possibility of an ordinary appeal against the final decision, but he will have the possibility of a retrial by law. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De door het Openbaar Ministerie gestelde vraag – namelijk of de opgeëiste persoon een onvoorwaardelijke verzetgarantie heeft– is met de bovenstaande reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit naar het oordeel van de rechtbank niet (afdoende) beantwoord, ook omdat er geen termijn is genoemd waarbinnen de opgeëiste persoon verzet dient aan te tekenen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de volgende vragen te (laten) stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- Kunt u bevestigen dat ten aanzien van het vonnis met referentie Szv.265/2019/6 :</para>
      <parablock>
        <para>o de beslissing na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon wordt betekend en </para>
        <para>o de opgeëiste persoon na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, en</para>
        <para>o de opgeëiste persoon zal worden geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet aan te tekenen. </para>
      </parablock>
      <para>- Binnen welke termijn dient de opgeëiste persoon verzet aan te tekenen? </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen ten behoeve van het verkrijgen van nadere informatie. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST </emphasis>het onderzoek voor onbepaalde tijd – met dien verstande dat de zaak voor het verstrijken van de beslistermijn (te weten: 27 december 2022) <emphasis role="underline">of – als de agenda van de rechtbank dit niet mogelijk maakt – zo spoedig mogelijk na die datum</emphasis> opnieuw op zitting moet worden gebracht – om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Hongaarse taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. Snijders Blok-Nijensteen,  				                         	voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en A.K. Glerum,                         				   	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 16 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_834c39f8-4c3c-40d8-bc55-a3c8eb9200e9" label="1">
    <para>Vergelijk rechtbank Amsterdam, 26 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1349</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>