<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:8115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-10T11:25:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RK 22/3756</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:8115">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:8115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-10T09:28:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:8115 Rechtbank Amsterdam , 20-09-2022 / RK 22/3756</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:8115:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering - de rechtbank verklaart zich onbevoegd tot het afdoen van het klaagschrift en stelt de stukken in handen van de rechtbank Oost-Brabant</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:8115:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>RK nummer: RK 22/3756</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum beschikking: 20 september 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">BESCHIKKING</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het klaagschrift <emphasis role="bold">ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering </emphasis>van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [klager] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,  </para>
      <para>	domicilie kiezende ten kantore van Koppen &amp; Lut advocaten aan de Parijslaan 3, </para>
      <para>5611 KM Eindhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>            klager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift is op 25 juli 2022 ingediend ter griffie van deze rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 6 september 2022 het klaagschrift behandeld en klager, zijn raadsvrouw, mr. C.G.J.E. Lut, advocaat te Eindhoven, en de officier van justitie, mr. M. Westerman, in openbare raadkamer gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten en omstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Duitse autoriteiten hebben door middel van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van 25 mei 2022 verzocht om, met inachtneming van geheimhouding van het onderzoek, de woning van klager te doorzoeken ter inbeslagname van goederen die voor de bewijsgaring kunnen worden aangewend in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen hem (en anderen) ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in genoemd EOB.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 28 juni 2022 zijn ter uitvoering van het EOB - op grond van artikel 110 in verbinding met artikel 5.4.8. van het Wetboek van Strafvordering -  onder meer kledingstukken en een motor inbeslaggenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Inhoud klaagschrift en standpunt klager </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift strekt tot teruggave van de motor, kentekenpapieren en reservesleutel van de motor, kleding en schoenen, die onder klager bij doorzoeking op 28 juni 2022 in [woonplaats klager] in beslag zijn genomen en zijn vermeld op de kennisgeving van inbeslaggenomen goederen van 13 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft vooropgesteld dat zij de rechtbank Amsterdam bevoegd acht tot kennisneming van het klaagschrift. Het Openbaar Ministerie heeft immers bij brief van 28 juni 2022 aan de bewoners van het pand waar de doorzoeking heeft plaatsgevonden, te kennen gegeven dat een eventueel klaagschrift bij de rechtbank Amsterdam moet worden ingediend. </para>
      <para>De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat zij zich ertegen verzet dat het EOB niet aan de verdediging wordt overgelegd aangezien op deze wijze de reden waarom de Duitse autoriteiten beslag willen leggen niet bij de verdediging bekend is. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de hiervoor vermelde stukken terug moeten naar klager wegens het ontbreken van strafvorderlijk belang om deze goederen in beslag te nemen en te houden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Standpunt van het Openbaar Ministerie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank op grond van </para>
      <para>artikel 552a Sv niet bevoegd is om dit klaagschrift in behandeling te nemen, nu de goederen in beslag zijn genomen in [woonplaats klager] door de politie uit de provincie Brabant.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 5.4.10, derde lid, Sv juncto artikel 552a, derde en vierde lid, Sv volgt dat het bevoegde gerecht de rechtbank is van het arrondissement waarbinnen de inbeslagneming is geschied of waar de vervolging is aangevangen. </para>
      <para>In het onderhavige geval zijn de goederen in [woonplaats klager] in beslag genomen. Daarom is de rechtbank Oost-Brabant, bevoegd tot afdoening van dit klaagschrift en moet dit worden doorgezonden naar die rechtbank. Dat de klager per abuis een brief van het Openbaar Ministerie heeft ontvangen dat een klaagschrift bij de rechtbank Amsterdam moet worden ingediend, doet niet af aan de onbevoegdheid van de rechtbank Amsterdam tot kennisneming van dit klaagschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart zich <emphasis role="bold">ONBEVOEGD</emphasis> tot het afdoen van het klaagschrift en stelt de stukken in handen van de griffier teneinde het klaagschrift ter afdoening aan de rechtbank Oost-Brabant, te verzenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is op 20 september 2022 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,  				                         		            voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C. Eggink en D.P. Hein,                         				               rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                                         	    griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">D.P. Hein is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>