<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:7436</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-20T10:32:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/257312-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:7436">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:7436</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-20T07:50:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:7436 Rechtbank Amsterdam , 08-12-2022 / 13/257312-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:7436:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in België opgelegde straf. Overlevering geweigerd o.g.v. artikel 6a OLW. Strafovername door Nederland.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:7436:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/257312-22</para>
      <para>RK nummer: 22/4450</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 8 december 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 oktober 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2022 door de substituut-procureur des Konings in Leuven (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 november 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. B. van Straaten, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard door de opgeëiste persoon te zijn gemachtigd zijn verdediging ter zitting te voeren.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis d.d. 20 november 2020 met referentienummer EX 20/2366 gewezen door de rechtbank in eerste aanleg te Leuven (België). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 900 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In onderdeel d) van het EAB is punt 3.2 aangekruist:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman verdedigd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 12 OLW daarmee niet aan overlevering in de weg omdat de in artikel 12, onder b, OLW genoemde omstandigheid zich voordoet. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De overlevering dient niet toegestaan te worden voor het derde feit, omdat uit het EAB onvoldoende feitelijke grondslag blijkt om te kunnen beoordelen hoe het feit naar Nederlands recht gekwalificeerd zou moeten worden. Verder blijkt ten aanzien van dit feit geen duidelijke pleegplaats of pleegdatum. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>Het EAB is genoegzaam, ook wat betreft de omschrijving van het derde feit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de onderhavige zaak is het EAB naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam. De omschrijving van de feiten is genoegzaam. Dit geldt ook ten aanzien van feit 3 (zie wat de kwalificatie betreft ook hierna onder 4.2). Met betrekking tot de door de raadsvrouw genoemde onduidelijkheid over de pleegplaats van feit 3, constateert de rechtbank dat duidelijk uit het EAB naar voren komt dat de leaseauto op 18 april 2017 in Antwerpen is gehuurd en hiermee vervolgens uiteindelijk op 5 mei 2017 naar Mechelen is gereden. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet van tegenstrijdigheden in dit verband is gebleken.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht – met uitzondering van de feiten die zijn genoemd in onderdeel e) onder punt II van het EAB –, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.  De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 18, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">deelneming aan een criminele organisatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">en </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">georganiseerde of gewapende diefstal</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De overlevering dient niet toegestaan te worden voor het derde feit, te weten misbruik van vertrouwen. Misbruik van vertrouwen is geen strafbaar feit onder Nederlands recht. Vergelijkbare Nederlandse bepalingen als bedrog of verduistering lijken niet aan de orde te zijn. Bedrog is immers wel als lijstfeit aangemerkt, maar niet aangekruist in het EAB. Bovendien is niet gebleken dat voldaan is aan de vereiste minimumstrafbedreiging.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>Het derde feit waarvoor de opgeëiste persoon in België is veroordeeld, te weten misbruik van vertrouwen, kan naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als verduistering. De kwalificatie misbruik van vertrouwen kennen wij niet in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, maar gelet op de feitelijke elementen van de omschrijving van het feit in het EAB kan worden vastgesteld dat het feit ook in Nederland strafbaar is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten in onderdeel e) onder punt II (waaronder feit 3) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de omschrijving van de feiten zoals deze in het EAB wordt gegeven, leveren de feiten naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">en</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verduistering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a OLW. De officier van justitie heeft zich daarbij aangesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in België</para>
      <para>opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook de onder 4.1 genoemde feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, dient de overlevering te worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 en 321 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de substituut-procureur des Konings in Leuven (België).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de overleveringsdetentie van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon]</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.J.R.M. Vermolen,  				                 		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en A.K. Glerum,                         				rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.J. Bouwmeester,		                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 8 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>