<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:7304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-12T11:19:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/160041-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:7304">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:7304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-12T10:36:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:7304 Rechtbank Amsterdam , 22-09-2022 / 13/160041-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:7304:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belgisch vervolgings-EAB. Gelijkstellingsverweer ex art. 6 OLW verworpen. Verweer detentieomstandigheden ex art. 11 OLW verworpen: algemene detentiegarantie voldoet. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:7304:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/160041-22</para>
      <para>RK nummer: 22/3382</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 22 september 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 20 juni 2022 door de Onderzoeksrechter Rechtbank Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1972, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: </para>
      <para>
        [adres],</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.B.M. Nohl, advocaat te ’s-Gravenhage.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.  <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot aanhouding bij verstek dat – naar de rechtbank begrijpt – is uitgevaardigd door de Rechtbank Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België) van 20 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	telkens; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Toetsing artikel 6 OLW, gelijkstelling met een Nederlander</title>
    <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, derde lid, OLW. De raadsvrouw heeft hiertoe een KvK-uittreksel overgelegd, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 9 mei 2019 een eenmanszaak runt. Daarvoor heeft de opgeëiste persoon in de bouw gewerkt. De opgeëiste persoon verblijft sinds 2018 in Nederland en is hier dermate geworteld, dat de overlevering dient te worden geweigerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6, derde lid, van de OLW (onder andere) zijn aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de onderbouwing van het ononderbroken verblijf gedurende vijf jaren is een inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) leidend, maar de opgeëiste persoon kan zijn verblijfsduur ook met andere stukken onderbouwen, mits deze voldoende concreet en objectief zijn.<footnote-ref linkend="_8057235c-c02e-47e3-b701-50e3786f8a3f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon verblijft volgens de BRP sinds 3 september 2019 in Nederland. De raadsvrouw heeft geen stukken overlegd waaruit volgt dat de opgeëiste persoon gedurende een langere periode, namelijk vijf jaar, ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Gelet hierop is niet aangetoond dat hij een duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan heeft opgebouwd en kan de opgeëiste persoon niet gelijk gesteld worden met een Nederlander. De rechtbank verwerpt het gelijkstellingsverweer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden België  <?linebreak?></title>
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 22 juni 2021<footnote-ref linkend="_eaef2341-9169-426a-86d3-debe2384bf3e" /> heeft de rechtbank geoordeeld dat in België een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen</para>
      <para>in een instelling waar sprake is van grondslapers, waardoor de minimale persoonlijke ruimte van 3m2 in een meerpersoonscel niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waar hiervan sprake is, zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 9 september 2021, afkomstig van de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, te Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoordt aan de normen van het CPT van de Europese Raad (minimum 3m2). Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een andere persoon.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eerder in deze brief is ten aanzien van gevangenissen waar gedetineerden op een extra matras slapen, ofwel waar de ‘grondslapers-problematiek’ zich voordoet, over de celruimte en de sanitaire blokken de volgende opmerking gemaakt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bovendien garanderen wij dat in de gevangenissen waarin dit fenomeen zich voordoet, er zal op toegezien worden dat de overgeleverden niet zullen worden opgesloten in een dergelijke afdeling zodat de overgeleverde personen ten minste over 3m2 personal space beschikken exclusief de sanitaire blokken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In haar uitspraak van 7 oktober 2021<footnote-ref linkend="_4281e246-c952-4d96-8033-dc9dd793904c" /> heeft de rechtbank overwogen dat de hiervoor genoemde brief van de Belgische autoriteiten van 9 september 2021 in elke overleveringszaak geldig is, zoals de Belgische autoriteiten in bedoelde brief hebben bevestigd, en dat het om die reden niet noodzakelijk is dat voor elke opgeëiste persoon een individuele detentiegarantie wordt opgevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft aan de hand van haar pleitnota aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, OLW, omdat niet kan worden vertrouwd op de algemene detentiegarantie. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar verschillende nieuwsberichten, het rapport van Amnesty International van 2020 en het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens van 16 maart 2021. De opgeëiste persoon loopt een reëel gevaar dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de zaak aan te houden, zodat informatie kan worden opgevraagd omtrent het individuele risico van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de algemene garantie volstaat om het individuele reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling weg te nemen. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de algemene detentiegarantie.<footnote-ref linkend="_d1cd135b-0b1a-44dd-a993-2848bf50ff75" /> De rechtbank is van oordeel dat het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling dat zij ten aanzien van voornoemde penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De omstandigheid dat er tot op heden nog steeds sprake is van een – ook door de rechtbank onderkende – zorgelijke situatie als gevolg van overbevolking in voornoemde Belgische detentie-instellingen, leidt niet tot de vaststelling dat de rechtbank niet langer uit kan gaan van de geboden zekerheid in de garantie. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande evenmin aanleiding de behandeling van de vordering aan te houden om nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 285 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de Rechtbank Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en C.M. Delstra,                        				rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders,		                              	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 22 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8057235c-c02e-47e3-b701-50e3786f8a3f" label="1">
    <para>Zie bijv. Rb. Amsterdam 5 januari 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BK9117.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eaef2341-9169-426a-86d3-debe2384bf3e" label="2">
    <para> Rechtbank Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3243.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4281e246-c952-4d96-8033-dc9dd793904c" label="3">
    <para>Rechtbank Amsterdam 7 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5759.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d1cd135b-0b1a-44dd-a993-2848bf50ff75" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak <emphasis role="italic">ML </emphasis>(C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>