<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:6918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-25T11:42:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/1725</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6918">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-25T11:41:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:6918 Rechtbank Amsterdam , 23-09-2022 / 22/1725</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6918:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vergoeding kosten rechtsbijstand, proceskosten in mindering gebracht, hoger beroep ingesteld, geen oninbare vordering, gemachtigde wordt belanghebbende in procesrisico, tijdsverloop vanwege hoger beroep, vordering wordt minder waard vanwege inflatie en geen rente, zicht op voldoening van vordering, gemachtigde krijgt proceskosten in hoger beroep of kan verzoeken om herziening van besluit als het hoger beroep ongegrond wordt verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6918:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AMS 22/1725 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Zaandam, eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft verweerder eiser voor het verlenen van rechtsbijstand een toevoeging verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de vergoeding vastgesteld waarbij een bedrag aan vergoeding kosten rechtsbijstand (hierna: proceskosten) in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2022. Eiser is verschenen. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat ging er aan deze zaak vooraf?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Aan eiser is op 30 oktober 2019 een toevoeging verleend in een belastingzaak. Het beroep van eisers cliënt is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant gegrond verklaard. De rechtbank heeft de Belastingdienst veroordeeld in de proceskosten van eisers cliënt tot een bedrag van € 1.068,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De Belastingdienst heeft met een e-mail van 19 juli 2021 eiser geïnformeerd dat het voornemens is hoger beroep in te stellen en dat de proceskosten daarom nog niet worden uitbetaald. Op 2 augustus 2021 heeft eiser verweerder verzocht om vaststelling van de vergoeding voor zijn werkzaamheden. Eiser heeft daarbij verzocht om de proceskosten niet in mindering te brengen op de vergoeding. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Besluitvorming</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Verweerder stelt dat op grond van artikel 32 van het Bvr<footnote-ref linkend="_f3554890-2438-4a58-af94-836e24359e97" /> een toegekende proceskostenvergoeding in mindering moet worden gebracht op de vastgestelde vergoeding. Uit het vijfde lid van dat artikel volgt dat daarvan kan worden afgezien als sprake is van een oninbare vordering. Bij de declaratie van werkzaamheden heeft eiser de uitspraak<footnote-ref linkend="_f69a5ca5-be89-4fa6-b819-eb67ec79c3ab" /> van de rechtbank overgelegd, waarin de rechtbank de Belastingdienst heeft veroordeeld in de kosten van de procedure tot een bedrag van € 1.068,-. Verweerder stelt dat deze kosten in mindering moeten worden gebracht op de vastgestelde vergoeding. Volgens verweerder is geen sprake van een uitzonderingssituatie zoals bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het Bvr en zijn beleid. Niet is gebleken dat de vordering definitief oninbaar is geworden, omdat de Belastingdienst de betaling van de proceskosten heeft opgeschort in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt eiser</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Volgens eiser wordt hij benadeeld door de Belastingdienst vanwege het door hen ingediende hoger beroep en de weigering om de proceskosten te betalen. Daarnaast meent eiser te worden benadeeld door verweerder, omdat de proceskosten op de vastgestelde vergoeding in mindering zijn gebracht op de toevoeging. Eiser voert aan dat het met een hoger beroep bij het Gerechtshof jaren kan duren voordat de uitspraak onherroepelijk wordt. Volgens eiser wordt zijn onafhankelijkheid als advocaat door de in mindering gebrachte proceskosten en verweerders weigering om de vastgestelde vergoeding te betalen, bedreigd. Eiser voert aan dat hij tot belanghebbende wordt gemaakt in het procesrisico van zijn cliënt. Volgens eiser is dat niet de bedoeling van de wetgever geweest. Eiser verwijst verder naar de antwoorden van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 januari 2021<footnote-ref linkend="_776a5103-99d6-44f1-9f9e-da3acaf8fedc" /> en in het bijzonder naar de antwoorden op de vragen 6, 8 en 11. Eiser voert ten slotte aan dat de vergoeding niet wordt geïndexeerd en dat ook geen vergoeding van rente is verschuldigd. Het jarenlang uitstellen van de betaling komt daardoor voor zijn risico. Ook wordt de vergoeding minder waard vanwege inflatie.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Uit de regelgeving volgt dat een toegekende proceskostenveroordeling in beginsel in mindering wordt gebracht op de toegekende vergoeding. Daarvan kan worden afgeweken als de proceskostenveroordeling geheel of gedeeltelijk niet is voldaan en er redelijkerwijs ook geen zicht is op voldoening daarvan.<footnote-ref linkend="_5e1332c9-7be1-42b4-aa48-d8be1f6ccd23" /> Verweerder heeft dat laatste uitgewerkt in zijn werkinstructie.<footnote-ref linkend="_887e9465-e8c7-40ff-92a2-3e6897f15739" /> In de werkinstructie staat dat het moet gaan om een oninbare vordering waarvan de oorzaak is gelegen bij de wederpartij. De oninbaarheid moet door de advocaat worden aangetoond, bijvoorbeeld met een vonnis, beschikking of een brief van de deurwaarder.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van zicht op voldoening van de kostenveroordeling in de zin van artikel 32, vijfde lid, van het Bvr. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de vordering oninbaar is. Vanwege het hoger beroep en de weigering van de Belastingdienst moet eiser slechts langer wachten op de betaling. Daar volgt echter niet uit dat er geen zicht is op voldoening. De rechtbank overweegt in dat kader dat eiser bij een gegrond hoger beroep de proceskosten vergoed zal krijgen door de Belastingdienst. Bij een ongegrond hoger beroep kan eiser zich wenden tot verweerder en vragen om herziening van het betreden besluit, waarna de in mindering gebrachte proceskosten aan hem zullen worden vergoed. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij door deze constructie een belang krijgt in het hoger beroep van zijn cliënt en de manier waarop wordt geprocedeerd, volgt de rechtbank hem daarin niet. Eiser zal immers worden betaald voor zijn werkzaamheden, ongeacht de uitkomst van het hoger beroep. De stelling dat de vergoeding minder waard wordt vanwege inflatie maakt dat niet anders. </para>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. A. Tanyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2022.</para>
      <para />
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <parablock>
      <para>griffier					</para>
      <para />
      <para>				 rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. </para>
  </section>
  <footnote id="_f3554890-2438-4a58-af94-836e24359e97" label="1">
    <para>  Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f69a5ca5-be89-4fa6-b819-eb67ec79c3ab" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 juni 2021, BRE 19/4136.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_776a5103-99d6-44f1-9f9e-da3acaf8fedc" label="3">
    <para> Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2020-2021, 1293.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e1332c9-7be1-42b4-aa48-d8be1f6ccd23" label="4">
    <para> Artikel 32, vijfde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_887e9465-e8c7-40ff-92a2-3e6897f15739" label="5">
    <para> Werkinstructie onder Art. 32 Bvr Proceskostenvergoeding/Voorschot.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>