<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:6281</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-03T15:12:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 22 _ 2452</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6281">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6281</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-03T15:11:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:6281 Rechtbank Amsterdam , 15-09-2022 / AWB - 22 _ 2452</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6281:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vergunning Huisvestingswet, mondelinge uitspraak, gevolgen van enige betekenis ontbreken niet, woningen van eisers op geringe afstand en effect op woon- en leefklimaat, bij twijfel betrokkenen het voordeel van de twijfel geven, beroep gegrond, ten onrechte in bezwaar niet-ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6281:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 22/2452 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eisers] , wonend in Amsterdam, eisers</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Louwe)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: <emphasis role="bold">[de persoon 1]</emphasis>, (gemachtigde: mr. J.D. Poot), vergunninghouder. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 januari 2021 (de vergunning) heeft verweerder op grond van de Huisvestingswet een vergunning verleend voor het vormen van zes zelfstandige woonruimten voor de locatie [adres 1] in Amsterdam.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard en de vergunning in stand gelaten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Vergunninghouder heeft een reactie ingediend. <?linebreak?></para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2022. Voor eisers zijn <?linebreak?>[de persoon 2] en [de persoon 3] verschenen. Vergunninghouder en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep voor zover dat is ingediend door [de persoon 4] niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep voor het overige gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bezwaren van [de persoon 5] , [de persoon 6] , [de persoon 7] , [de persoon 8] en [de persoon 9] niet-ontvankelijk zijn verklaard; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>	uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,00 aan eisers te vergoeden. </para>
    <bridgehead role="bold">Overwegingen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. <?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep voor zover ingediend door [de persoon 4]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. De rechtbank stelt vast dat [de persoon 4] geen bezwaar heeft gemaakt. Om beroep te kunnen instellen had hij dit wel moeten doen.<footnote-ref linkend="_20794e56-1a39-4aad-8895-330388a67697" /> Niet blijkt dat dit hem niet kan worden verweten. Daarom is het beroep voor zover het door hem is ingediend niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep voor zover ingediend door [de persoon 2] en [de persoon 3]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Het bestreden besluit is verzonden op 24 januari 2022. Dat betekent dat [de persoon 2] en [de persoon 3] uiterlijk op 7 maart 2022 bezwaar hadden moeten maken.<footnote-ref linkend="_9291d708-70eb-4eb4-80aa-11a5f767f36e" /> Zij hebben dat pas op 22 maart 2021 gedaan. Dat is te laat. Een bezwaar is in zo’n geval toch ontvankelijk als het te laat indienen niet verwijtbaar is.<footnote-ref linkend="_e8a66e1c-b7a1-439a-aab2-57a6c314d70f" /></para>
    <para />
    <para>
      [nummer 1] . [de persoon 2] en [de persoon 3] hebben uitgelegd dat zij destijds bezig waren met verhuizen naar de woning op [adres 2] . Op 27 januari 2021 - een dag na de sleuteloverdracht - raakten zij op de hoogte van de vergunning. Het is volgens hen aan hun gebrek aan kennis te wijten dat zij toen geen bezwaar hebben gemaakt. Zij dachten namelijk er voor de woningvorming een nieuwe aanvraag en een nieuw besluit zouden komen, omdat de vergunning op grond van de Wabo<footnote-ref linkend="_83875f45-82e5-4eb8-8a1b-f64ee49fd812" /> was verleend voor zeven woningen en niet voor zes. De rechtbank is van oordeel dat het late indienen wel verwijtbaar is. Juist door het gebrek aan kennis hadden [de persoon 2] en [de persoon 3] navraag moeten doen of in ieder geval voor de zekerheid bezwaar moeten maken. Daarom heeft het college het bezwaar voor zover het door hen is ingediend terecht niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep van de overige eisers</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De overige eisers wonen allemaal aan de [adres 3] , namelijk op de nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] . Het geschil gaat over de vraag of deze eisers belanghebbenden zijn. Het college meent dat dit niet het geval is, omdat de vorming van zes woningen voor eisers geen gevolgen van enige betekenis heeft. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat het college zich baseert op rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_4770a668-9bbf-49c4-bd1d-fd27a5cd7cf7" />. Deze rechtspraak ziet op de vraag wanneer iemand belanghebbende is bij zaken die zien op de Wabo en de Wet milieubeheer. Bij verlening van een vergunning als in deze zaak gaat het ook om een goede woon- en leefomgeving. Daarom acht de rechtbank het niet onjuist dat het college aansluiting heeft gezocht bij deze rechtspraak. </para>
    <para>6. <?linebreak?>De Afdeling heeft uitgelegd dat gevolgen van enige betekenis ontbreken, als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.<footnote-ref linkend="_970b73bf-0981-4c6c-99d4-0e07351bb51f" /> Een aspect als de afstand speelt een rol bij deze beoordeling. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers op korte afstand wonen van nummer [nummer 5] . Volgens opgave van eisers betreft het een afstand tussen de [nummer 6] en [nummer 7] meter en verweerder heeft deze afstanden niet betwist. Gelet op de rechtspraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat al vanwege de geringe afstand aangenomen moet worden dat het vormen van de wooneenheden gevolgen van enige betekenis zal hebben op het woon- en leefklimaat van eisers.<footnote-ref linkend="_1e40dd37-5897-4d4b-a9ee-d09c2149ef6c" /> Daarnaast merkt de rechtbank het volgende op. Het college heeft zelf overwogen dat woningvorming een effect kan hebben op het woon- en leefklimaat. De rechtbank acht dit ook aannemelijk en denkt daarbij aan bijvoorbeeld meer verhuisbewegingen. Verder heeft het college erkend dat de parkeerdruk kan toenemen. Hetzelfde geldt voor het aantal fietsen. Dat betekent dus dat er gevolgen van enige betekenis zijn. Deze gevolgen zullen in de directe nabijheid groter zijn dan verder weg in de wijk. Het standpunt dat alleen de directe buren voldoende onderscheidend belang hebben, volgt de rechtbank niet. Daarbij moet als er twijfel mogelijk is over de vraag of de gevolgen van enige betekenis zijn, de betrokkenen het voordeel van de twijfel krijgen.<footnote-ref linkend="_778faa34-8c44-42d3-b15a-a8544d4e9f11" /> Eisers hebben daarom de drempel voor ontvankelijkheid van hun bezwaar gehaald. </para>
    <para />
    <para>7. De conclusie is daarom dat het college de bezwaren van [de persoon 5] , [de persoon 6] , [de persoon 7] , [de persoon 8] en [de persoon 9] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. </para>
    <para>Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1 van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen en de bezwaargronden in dit besluit inhoudelijk te beoordelen. <?linebreak?></para>
    <para>8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. C. Pasteuning, griffier, op 15 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier				</para>
      <para>			rechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_20794e56-1a39-4aad-8895-330388a67697" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 7:1, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9291d708-70eb-4eb4-80aa-11a5f767f36e" label="2">
    <para> Zie de artikelen 6:6 en 6:8 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8a66e1c-b7a1-439a-aab2-57a6c314d70f" label="3">
    <para> Zie artikel 6:11 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83875f45-82e5-4eb8-8a1b-f64ee49fd812" label="4">
    <para> Wet algemene bepalingen omgevingswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4770a668-9bbf-49c4-bd1d-fd27a5cd7cf7" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_970b73bf-0981-4c6c-99d4-0e07351bb51f" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e40dd37-5897-4d4b-a9ee-d09c2149ef6c" label="7">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2398. <?linebreak?>De afstand daar betrof 57 meter.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_778faa34-8c44-42d3-b15a-a8544d4e9f11" label="8">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:499. Rechtsoverwegingen 5.2. tot en met 5.4.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>