<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:6207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-04T10:50:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/208613-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6207">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-04T10:01:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:6207 Rechtbank Amsterdam , 27-10-2022 / 13/208613-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6207:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Noors AB; overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6207:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/208613-22</para>
      <para>RK nummer: 22/3984</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 27 oktober 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 3, eerste lid, van de Wet houdende uitvoering van de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Uitvoeringswet) jo. artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. </para>
      <para>Deze vordering dateert van 22 augustus 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op 17 augustus 2022 door <emphasis role="italic">the Public Prosecutor in Møre and Romsdal</emphasis> (Noorwegen). Het aanhoudingsbevel strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 1992, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>
        [detentieplaats]
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 oktober 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. van Appia, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Arabisch Syrische taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van artikel 22 OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Syrische nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het aanhoudingsbevel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het aanhoudingsbevel wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">court order for arrest from Møre and Romsdal District Court of 17.08.2022, case no. 22-11661ENE-TMOR/TMOL</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het AB staat in onderdeel c) onder 2) dat aan de opgeëiste persoon  een gevangenisstraf van vijf jaar is opgelegd. Naar aanleiding hiervan zijn door het Internationaal Rechtshulp Centrum nadere vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de e-mail van 19 september 2022 van de uitvaardigende justitiële autoriteit staat dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de procedure in eerste aanleg bij <emphasis role="italic">the District court in Møre and Romsdal.</emphasis> Daarna is hij tegen de uitspraak in eerste aanleg in appel gegaan. De opgeëiste persoon was niet bij het proces in hoger beroep aanwezig, omdat hij was gevlucht. Wel is hij in persoon opgeroepen en was zijn advocaat aanwezig bij het proces in hoger beroep. In de bijlage bij het aanvullende e-mailbericht van 26 september 2022 is onderdeel d) van het AB voor het proces in hoger beroep ingevuld en hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon op 27 juni 2022 in persoon is opgeroepen voor dit proces. Uit verdere correspondentie met de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat het hoger beroep bij <emphasis role="italic">Frostating lagmannsrett Appeal court</emphasis> is behandeld en er een straf van vijf jaar en zes maanden is opgelegd bij arrest van 31 augustus 2022. Deze beslissing is nog niet voor tenuitvoerlegging vatbaar en zal aan de opgeëiste persoon worden betekend bij aankomst in Noorwegen. Hij heeft dan twee weken de tijd om deze beslissing aan te vechten bij de <emphasis role="italic">Supreme Court</emphasis>, maar alleen ten aanzien van de straf en rechtsvragen. De <emphasis role="italic">Appeal court</emphasis> is de laatste instantie geweest die over de schuldvraag heeft beslist. Tevens is bevestigd dat de <emphasis role="italic">court order for arrest from Møre and Romsdal District Court of 17.08.2022</emphasis> nog steeds de grondslag voor het AB is en de beslissing van de <emphasis role="italic">Frostating lagmannsrett Appeal court</emphasis> nog niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover de beslissing van <emphasis role="italic">Frostating lagmannsrett Appeal court </emphasis>al aan artikel 12 OLW moet worden getoetst als zijnde de laatste instantie die zich over de schuldvraag heeft beslist, na een behandeling in feite en in rechte, stelt de rechtbank vast dat dit arrest is gewezen terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De opgeëiste persoon is echter in persoon opgeroepen voor dit proces, zodat de omstandigheid van artikel 12, onder a, OLW zich voordoet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit is omschreven in onderdeel e) van het aanhoudingsbevel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. <emphasis role="bold">Strafbaarheid; feit vermeld op de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst</emphasis><footnote-ref linkend="_9a003850-203d-4040-8f4b-0b9d3a733930" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	verkrachting.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het aanhoudingsbevel vermelde gegevens is op dit feit naar Noors recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het aanhoudingsbevel voldoet aan de in de Overeenkomst en Uitvoeringswet gestelde vereisten en ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 1 en 3 Uitvoeringswet en de e artikelen 3, 4, 5 en 11 van de Overeenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Public Prosecutor in Møre and Romsdal</emphasis> (Noorwegen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het aanhoudingsbevel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.J.R.M. Vermolen,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en R. Godthelp,                     				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek,		                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 27 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9a003850-203d-4040-8f4b-0b9d3a733930" label="1">
    <para> Het gaat hier om de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>