<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:6074</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-01T15:48:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751574-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6074">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:6074</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-31T15:29:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:6074 Rechtbank Amsterdam , 18-10-2022 / 13/751574-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6074:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-AB Verenigd Koninkrijk. Overlevering toestaan. Ambtshalve overwegingen over o.a. het toetsingskader, de detentieomstandigheden en de levenslange gevangenisstraf in het VK. OP heeft de Nederlandse nationaliteit, terugkeergarantie verstrekt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:6074:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751574-21 </para>
      <para>RK nummer: 22/3873</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 oktober 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst <?linebreak?>EU – VK Justitie en Veiligheid (hierna: Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vordering dateert van 17 augustus 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (hierna: HSO).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit AB is uitgevaardigd op 27 oktober 2020 door <emphasis role="italic">the District Judge (Magistrates’ Court) sitting at Birmingham Magistrates’ Court </emphasis>(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, </para>
      <para>	verblijfadres: [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 oktober 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Engelse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Referte</title>
    <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen weigeringsgronden aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staan.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Toetsingskader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 632 HSO is titel VII van deze Overeenkomst van toepassing op Europese aanhoudingsbevelen die overeenkomstig Kaderbesluit 2002/584/JBZ vóór het eind van de overgangsperiode (<emphasis role="italic">rechtbank: als bedoeld in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie</emphasis>) door een staat zijn uitgevaardigd, indien de gezochte persoon niet voor het eind van de overgangsperiode met het oog op de tenuitvoerlegging ervan is aangehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier blijkt dat het EAB op 27 oktober 2020 is uitgevaardigd, maar dat de opgeëiste persoon pas op 15 augustus 2022, na het einde van de overgangsperiode (te weten 31 december 2020), is aangehouden op basis van dit EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat dit overleveringsverzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van de HSO en de Uitvoeringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om die reden zal het EAB hierna als ‘aanhoudingsbevel’ (AB) worden aangeduid.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Grondslag en inhoud van het AB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het AB wordt melding gemaakt van een ‘<emphasis role="italic">warrant of arrest dated 11 February 2020 issued by District Judge sitting at Staffordshire Magistrates’ Court</emphasis> (Verenigd Koninkrijk).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan.<footnote-ref linkend="_3914e9ce-ea04-4e33-b2e7-885fb5f2aee1" /> Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feitelijke aanranding van de eerbaarheid	</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">7.  	De garantie als bedoeld in artikel 604, aanhef en onder b HSO jo. artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op artikel 604, aanhef en onder b, HSO en artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6 OLW kan zijn overlevering daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna: VOGP) zal kunnen worden omgezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 6 september 2022 heeft de <emphasis role="italic">UK Central Authority, Home Office on behalf of the Secretary of State</emphasis> de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“UNDERTAKING REGARDING SURRENDER OF [opgeëiste persoon] TO THE</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">NETHERLANDS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In accordance with the procedure under Article 604(b) of Title VII (Surrender) of the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">UK-EU Trade and Co-operation Agreement between the European Union and the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">United Kingdom you have requested that [opgeëiste persoon] (DoB: [geboortedag] 1999) be</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">returned to The Netherlands to serve any custodial sentence which is imposed by a</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">UK court in relation to the conduct for which his surrender to the UK from The</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Netherlands has been sought.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The UK undertakes that should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">to The Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed, unless concrete grounds relating to his rights of defence or to the proper administration of justice make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the offence underlying the European Arrest Warrant. Such procedural steps may include:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(a) The exhaustion of any available avenues of appeal;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(b) Consideration of confiscation; and</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(c) The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">served in default of payment of any financial penalty.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Please note that the return of [opgeëiste persoon] to The Netherlands will be facilitated under the Additional Protocol to the 1983 Council of Europe Convention on the Transfer of Sentenced Persons. Full details of any sentence imposed on [opgeëiste persoon] will be provided when he is returned to The Netherlands.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.<footnote-ref linkend="_b9f02c61-4289-4288-80a3-1a1806d5b617" /> De rechtbank vat de bovenstaande passage zo op dat, mocht de opgeëiste persoon tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden veroordeeld, de overbrenging naar Nederland zal plaatsvinden op grond van het VOGP.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd wanneer de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is, gelet op wat onder 6 is overwogen, voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 7 september 2022,<footnote-ref linkend="_14b52ebb-2c96-43f3-843d-c46961f40fb7" /> in het bijzonder naar de overwegingen over het toetsingskader bij de beoordeling van detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk. Ook in deze zaak is de rechtbank van oordeel dat in het midden kan blijven welk toetsingskader wordt toegepast omdat zowel bij toetsing aan het Unierecht, inclusief het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en de uitleg van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie), als bij een beoordeling op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), de conclusie is dat niet gebleken is dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Britse autoriteiten hebben op 9 september 2022 meegedeeld dat de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk zal worden geplaatst in HMP [plaats 1] . Dit betekent dat het vastgestelde reële gevaar dat gedetineerden in de penitentiaire inirichting HMP [plaats 2] niet in de weg staat aan de overlevering van de opgeëiste persoon en dat de rechtbank in deze zaak (alleen) de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting HMP [plaats 1] dient te onderzoeken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert dat er – afgezet tegen de jurisprudentie van het Hof van Justitie<footnote-ref linkend="_ba9618aa-9706-409e-bd4b-61f67c48aff4" /> – geen sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die in de penitentiaire inrichting HMP [plaats 1] zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Er is dus geen grond om een algemeen gevaar op schending van artikel 4 Handvest aan te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat er geen aanleiding is om de tweede stap te zetten – zoals bedoeld in de voorgeschreven twee-stappen toets die volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie – en er dus geen ruimte is voor een beoordeling van het individuele risico.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie is dan ook dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook een beoordeling van het risico dat de opgeëiste persoon loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling op basis van de jurisprudentie van het EHRM<footnote-ref linkend="_31e1c751-30e6-431a-8bac-e1a2beba204c" /> leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat van een dergelijk reëel risico. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de detentieomstandigheden niet in de weg staan aan overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Levenslange gevangenisstraf (artikel 604, aanhef en onder a, HSO)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van één van de feiten <emphasis role="italic">(robbery)</emphasis> waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, kan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het AB onder h) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover de volgende informatie opgenomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Where a life sentence (whether mandatory or discretionary) is imposed the sentencing</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">judge determines what part of the sentence must be served in prison before the offender</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">may be considered for release on licence: that period is referred to as the minimum term.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Every person sentenced on indictment has the right to ask for a review of that minimum</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">term by the Court of Appeal.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The offender has to serve the appropriate minimum term that reflects the punitive element of the sentence. Once this punitive term of imprisonment has expired the offender enters into the risk element of the sentence. He may only be detained if he continues to present a risk to the public.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">An independent Parole Board conducts a review of the prisoner's sentence once the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">punitive element of the sentence has expired. A judge chairs this panel. An oral hearing</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">can take place to determine whether the prisoner' s detention should continue. The Parole Board must decide whether it is necessary for the protection of the public for the prisoner's detention to continue. At this hearing the prisoner has the right to be present, to be legally represented and to call and question witnesses.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Parole Board can direct the release of the prisoner. If it decides that the prisoner</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">should not be released then a further hearing will take place within 2 years to review the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">prisoner's detention and at regular intervals thereafter.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">All life sentence prisoners are released under a licence that remains in force for the rest of their lives. The life licence can be revoked at any time if necessary on public protection</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">grounds.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In every case, including cases where a whole life term or a minimum term exceeding twenty years has been imposed, the prisoner may apply for exceptional or compassionate release under section 30 of the Crime (Sentences) Act 1997 and/or for release under the powers of the Royal Prerogative of Mercy.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovenstaande informatie brengt met mee dat in het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf – op verzoek of ten minste na twintig jaar. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef en onder a, Overleveringsovereenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 312 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 3 en 5 Uitvoeringswet en 599, 604 en 606 HSO.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>12</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Judge (Magistrates’ Court) sitting at Birmingham Magistrates’ Court </emphasis>(Verenigd Koninkrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. R. Godthelp,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater,                 				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie,		                         		     griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3914e9ce-ea04-4e33-b2e7-885fb5f2aee1" label="1">
    <para> Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9f02c61-4289-4288-80a3-1a1806d5b617" label="2">
    <para> Vergelijk rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_14b52ebb-2c96-43f3-843d-c46961f40fb7" label="3">
    <para> Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:5751, ter publicatie aangeboden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ba9618aa-9706-409e-bd4b-61f67c48aff4" label="4">
    <para> Zie het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31e1c751-30e6-431a-8bac-e1a2beba204c" label="5">
    <para> Muršić vs Croatia EHRM 20 oktober 2017, 7334/13, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>