<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:5974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-19T16:56:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/188765-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5974">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-19T11:35:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:5974 Rechtbank Amsterdam , 13-10-2022 / 13/188765-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5974:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Hongarije; tussenuitspraak; analoge toepassing artikel 509a Sv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5974:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/188765-22</para>
      <para>RK nummer: 22/3824</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 13 oktober 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 augustus 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 2022 door <emphasis role="italic">the Military Council of the Győr Regional Court </emphasis>(Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1954, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 september 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van haar recht op aanwezigheid bij de zitting middels een niet-ondertekende schriftelijke verklaring. Haar niet-gemachtigde raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, is wel verschenen.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Heropening onderzoek	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 28, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. </para>
      <para>Artikel 28 Sv is op de procedure voor overlevering door Nederland van overeenkomstige toepassing verklaard (artikel 43a OLW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Of een verdachte dan wel opgeëiste persoon zichzelf ter zitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is zijn vrije keuze. Dat geldt ook indien aan de verdachte/opgeëiste persoon een raadsman is toegevoegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat een (toegevoegde) raadsman daadwerkelijk optreedt in het geval de verdachte/opgeëiste persoon ervoor kiest zichzelf te verdedigen en dus afstand doet van het recht op rechtsbijstand. De wet kent dus niet de mogelijkheid van rechtsbijstand tegen de wil van de verdachte/opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor enkele gevallen heeft de wetgever dat stelsel - voor verdachten in Nederlandse strafzaken - doorbroken. Zo kan de rechter voor zover hier van belang, bij een verdachte bij wie een zodanige gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren en er voor zorgdragen dat een raadsman wordt toegevoegd. In die situatie komen alle aan de verdachte toekomende bevoegdheden ook toe aan zijn raadsman (artikel 509a in verbinding met artikel 509d, derde lid, Sv). In dat geval is geen plaats voor afstand van het recht op rechtsbijstand. De raadsman is dan bevoegd en gehouden op te treden, ook al geeft de verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met die bijzondere regeling is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging. </para>
      <para>Hoewel artikel 509a Sv in de OLW niet (expliciet) van overeenkomstige toepassing is verklaard, ziet de rechtbank, gezien het voorgaande, aanleiding om genoemd artikel in voorkomende gevallen in overleveringsprocedures analoog toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat ook in procedures voor overlevering immers aanleiding de zorg voor adequate rechtsbijstand niet zonder meer steeds aan de opgeëiste personen te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de onderhavige zaak leidt die analoge toepassing tot de volgende overwegingen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De niet-gemachtigde raadsman heeft ter zitting meegedeeld dat hij niet op de hoogte was van de afstandsverklaring van de opgeëiste persoon. Verder heeft hij meegedeeld dat hij bij de penitentiaire inrichting door de opgeëiste persoon werd geweigerd toen hij haar bezocht om de zaak met haar te bespreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verhoor bij de rechter-commissaris is als verklaring van de opgeëiste persoon onder meer het volgende opgenomen:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Nu ik u dit hoor dicteren, verzoek ik u op te nemen dat ik geen advocaat heb. U houdt mij voor dat mijn raadsman naast mij zit en dat ik zojuist ook overleg met hem heb gehad. U vraagt mij of ik bedoel dat ik nu niet meer door hem wil worden bijgestaan. Een vredelievende man of vrouw hoeft niet door een advocaat te worden verdedigd. Een advocaat mag alleen de doden vertegenwoordigen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van de mededelingen van de niet-gemachtigde advocaat en de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder de hiervoor weergegeven verklaring, vermoedt de rechtbank dat de opgeëiste persoon onvoldoende in staat is haar belangen behoorlijk te behartigen, zoals bedoeld in artikel 509a Sv. In de verband zal een  afzonderlijke beslissing worden gegeven.   De rechtbank zal voorts een advocaat aan de opgeëiste persoon laten toewijzen. De rechtbank heeft contact gehad met mr. Ebbink, die heeft verklaard dat hij bereid is haar (opnieuw) bij te staan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal het onderzoek heropenen en aanhouden voor onbepaalde tijd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEEFT</emphasis>, met inachtneming van artikel 509c Sv, last aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, aan te wijzen als advocaat van de opgeëiste persoon;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving hiervan aan genoemde raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. P. van Kesteren,  				                         				voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.J. Scheijde en M. Snijders Blok-Nijensteen,                         			rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek,		                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>